31 oktober: wereldstedendag

 Vorig jaar woonde voor het eerst de helft van de wereldbevolking in steden. De toename van de stedelijke bevolking vertoont een duidelijke trend en wordt verwacht zich door te zetten, zowel in ontwikkelde als in opkomende landen. In onze ontwikkelde regio is het wat dubbelzinnig. In de jaren vijftig van de vorwereldstadige eeuw kregen we met suburbanisatie te maken, de trek van de middenklasse naar de woongebieden rond de grote steden. Langzamerhand zijn deze suburbane gebieden bij de grote steden gevoegd en krijgen we met grotere steden te maken. Vanwege beperkte faciliteiten in de dorpen en kleinere steden is er een trek van vooral jongere naar de grotere steden. Rond de helft van de jongeren volgt nu hoger of universitair onderwijs, beschikbaar alleen in grotere steden en de meesten blijven daar voor werk na hun studies. Winkel- en sociaal-culturele djakartavoorzieningen nemen af op het platteland, wat zich allemaal vertaalt in verdere urbanisatie.
In ontwikkelingslanden werkt de aantrekkingskracht van de stad nog veel sterker, voor onderwijs, voor werkgelegenheid en gewoonweg om te overleven. In de grote steden vallen er altijd meer kruimels van de tafel dan op het platteland.
In zowel de ontwikkelde als in de ontwikkelingswereld is de stad ook een magneet vooral voor jongeren, voor vrijheid, entertainment en zelfontplooiing. Een onmiskenbare troef, waar we ons voordeel mee kunnen doen.
Steden groeien in dit proces uit tot mega-agglomeraties met soms tientallen miljoenen inwoners. Vooral in opkomende landen, met vaak mijloenen in sloppenwijken, stelt een goed beheer van stedelijke agglomeraties voor bijna onoverkomelijke problemen. Wereldstedendag is een moment daar bij stil te staan en te zien wat we individueel en collectief kunnen doen om het leven in de stad aangenamer te maken. In onze westerse wereld zijn steden paradijsjes vergeleken met die in de opkomende en arme landen. Een rechtvaardigere verdeling van de ‘wereldkoek’ kan die verschillen slechten!