Een Geloofsgetuigenis

 

 

1

      Inhoud

Inleiding

1.    Verticale benadering

Achtergrond – Doop en Lagere school – Middelbare school – Tilburg –
Algerije – Ethiopië – Zambia – New York – Rome – Tanzania – Gabon –
Den Haag – Weert

2.    Horizontale benadering

–    De enige ware kerk?
–    Voortplanting en seksualiteit

3.    Conclusies

   Inleiding

Als je in de jaren veertig van de vorige eeuw, zoals ik, op het Brabantse platteland geboren bent, was je katholieke bedje gespreid. Daar was niets verkeerds mee, integendeel, lekker warm zelfs! De plaats waar en de familie waarin je geboren wordt, bepalen in hoge mate de grote lijnen van je leven.

Het katholieke Brabant was een relatief bevoordeelde plek in de wereld en mijn familie had alle motivatie en inzet om iets goeds van het leven van ons kinderen te maken. Gesteund door familie, omgeving en een uitgebreid netwerk van katholieke instanties en faciliteiten. Ik groeide op in een positief religieus totaalsysteem dat tot in detail aangaf hoe je je leven moest leiden, van geboorte tot begrafenis, van Nieuwjaar tot Kerstmis en van de vroege morgen tot de late avond.  Het werd niet nodig geacht onafhankelijk en buiten het door de Kerk aangeboden kader te denken. Maar dat zelfstandige denken wordt je via onderwijs en andersoortige ervaringen bijgebracht, zodat je een conflict krijgt tussen aangeleerd geloof en zelfstandig denken. Bestaat God nou wel of niet? En is er een hemel of een hel of beide? Hoe zijn de aarde en het leven ontstaan? Naarmate ik verder onderwijs volgde en levenservaringen opdeed, werden de twijfels over het katholicisme als de enige ware godsdienst sterker. Tot op het punt dat je vond dat andere wereldreligies en humanistische stromingen gelijkwaardig zijn en dat een persoonlijke God onwaarschijnlijk is. Tegelijkertijd blijf je selectief terugvallen op vroeger aangeleerde waarheden en gebeden en kun je sommige ervan niet makkelijk van je afschudden of vervangen, ook al kun je dat niet rationeel verklaren. Het zit gewoon ingebakken!
Als begunstigde van het traditionele Brabantse opvoedingssysteem heb ik geen verwijt te maken aan familie, kerk en omgeving, integendeel. Ik ben uitermate erkentelijk voor alle materiële en geestelijke ondersteuning van deze diverse bronnen. Het conflict tussen traditioneel geloof en rationeel denken heeft me lange tijd bezig gehouden, en misschien nog wel, maar in mindere mate. Ik wil getuigen van mijn diepe waardering voor de indrukwekkende inspanningen die de Kerk en de geestelijkheid zich getroost hebben om de Zuidelijke Nederlanden op de kaart te zetten. De wens tot deze getuigenis is versterkt door het onderzoek naar seksueel misbruik van jongeren in de katholieke Kerk door de Commissie Deetman. Dat seksuele misbruik is fout en zeer betreurenswaardig! Ik sympathiseer ten zeerste met de slachtoffers en hoop dat de gemaakte verontschuldigingen en andere genoegdoeningen het hun aangedane leed voldoende hebben verzacht.
Tegelijkertijd vind ik dat de Kerk een hard gelag is aangedaan. Te hard, naar mijn mening. Zou het gebeuren niet in beter perspectief geplaatst hebben moeten zijn?  De omvang van het misbruik was in niet-katholieke instellingen ongeveer hetzelfde. Het was zelfs verbazend hoog in de hele Nederlandse maatschappij. Maar bovenal had het fenomeen geplaatst moeten zijn tegen de achtergrond van het vele goede dat de Kerk gedaan heeft in de ontwikkeling van deze streken na 1853.
Het Vaticaan en de Paus spelen een belangrijke rol op het wereldtoneel. De media berichten uitvoerig en in positieve termen over de activiteiten van Paus Franciscus. Hij heeft veel invloed. Zijn boodschappen interesseren velen, ook de jongeren, en zouden een prominentere plaats dienen te krijgen in de kerkelijke activiteiten.
Op hoop van zegen !

            1.     VERTICALE BENADERING

Achtergrond

De verovering van Den Bosch door Frederik Hendrik in 1629 was een calamiteit van de eerste orde voor de katholieke gemeenschap in Brabant. Tot dan toe was het katholicisme praktisch de enige godsdienst geweest, beschermd door Rome en het Spaanse keizerrijk. Dat veranderde in één klap. Kloosters en kerken werden gesloten en de openbare godsdienstuitoefening zo goed als verboden. Voortaan moest men de mis bijwonen in graafschappen en hertogdommen die niet tot de Zeven Provinciën behoorden, zoals voor Veghel in het land van Ravestein.
De bevolking werd niet gedwongen zich tot het protestantisme te bekeren, maar het katholicisme werd een tweederangs godsdienst en de aanhangers werden sterk gediscrimineerd. De positie van de Katholieke Kerk verbeterde toen de Bataafse Republiek in 1796 de scheiding van Kerk en Staat afkondigde. De verschillende kerken kwamen toen opnieuw op gelijke voet. De grote verandering kwam echter in 1853 met het herstel van de Bisschoppelijke Hiërarchie. De nieuwe godsdienstvrijheid was mogelijk gemaakt door de invoering van de Grondwet van Thorbecke in 1848. De onderdrukking van de Generaliteitslanden was niet langer houdbaar en in de eerdere afscheidingsoorlog met België speelden religieuze factoren al een belangrijke rol.
Het religieuze sentiment moet wel heel erg sterk geleefd hebben onder de bevolking, want toen de godsdienstvrijheid in 1853 doorbrak, was het hek van de religieuze dam. In de volgende decennia rezen kerken en kloosters als paddenstoelen uit de grond. Elk dorp kreeg zijn imposante kerk en er werden veel kloosters opgericht.

3

Deze imposante en fraaie  bouwwerken gingen het aanzien van dorpen en steden bepalen. Als je die gebouwen wegdenkt plus wat er sinds die tijd aan seculiere gebouwen is bijgebouwd, dan stelden de meeste plaatsen toen niet zo heel veel voor.
Met de voltooiing van de bouwwerken en het opzetten van de organisatorische infrastructuur kwam er een intensieve beleving van de godsdienst door de gelovigen. Dit alles zorgde ervoor dat het katholicisme vanaf het eind van de 19de eeuw tot in de jaren zestig van de twintigste zijn bloeitijd kende: het Rijke Roomsche Leven. De onderbreking door de Tweede Wereldoorlog, vooral de bevrijding, moet de geesten aan het denken hebben gezet, maar in de jaren vijftig draaide het systeem nog op volle toeren. Het was een zorgvuldig uitgekristalliseerd en goed functionerend totaalsysteem. In de omgeving waar ik opgroeide was het katholicisme de controlerende godsdienst. Er was wel een klein Protestants kerkje in Veghel, maar dat had een beperkt aantal leden, overgebleven van de eerdere overheersing door het Protestante noorden.
Zoals de geloofsbeleving voor individuen en families het hele leven bepaalde, zo was ook de maatschappelijke structuur helemaal dichtgetimmerd. Kerken, kloosters, scholen, ziekenhuizen, bejaardentehuizen, armenfondsen, ze werden allemaal door de Kerk opgericht en beheerd. De Coöperatieve Handelsvereniging (CHV) van de Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond (NCB), in de jaren vijftig de grootste veevoederfabriek in West-Europa, was opgericht door pater van den Elzen, evenals de Coöperatieve Boerenleenbank, één van de voorlopers van de  huidige Rabobank. Bijna alle coöperatieve verenigingen waren opgericht vanuit de plaatselijke boerenbonden. Die bonden waren per parochie georganiseerd en de pastoor had daar een belangrijke stem in. De plaatselijke afdeling van de Boerenbond organiseerde ook sociale activiteiten en trips, zoals naar de toen pas drooggemalen Noordoostpolder, de Expo in Brussel, etc. Er waren ook lokale afdelingen van de Boerinnenbond en ieder van die twee hadden Jongerenafdelingen. En elk van die afdelingen hadden weer hun activiteitenclubs met geestelijke adviseurs.
De Deken in Veghel behoorde tot de notabelen van het dorp. De leden van het seculiere priesterdom werden  zorgvuldig geselecteerd. In feite kende men de kandidaten al van vóór hun geboorte, doordat families nauw gekend waren. Veel jongeren werden eerst misdienaar en een aantal daarvan ging na de lagere school naar het Klein Seminarie. Daar kregen ze een kwalitatief hoogwaardige opleiding en waren afgeschermd van spanningen en eventueel armoede in kinderrijke gezinnen thuis. Vervolgens naar het Groot Seminarie, vergelijkbaar met universiteit, onderwijl genietend van prima leefomstandigheden en intensieve begeleiding. Als toekomstige pastores moesten ze goed kunnen organiseren (kapelaans, kerkbestuur, financiën), over uitstekende contactuele eigenschappen beschikken om gelovigen te coachen en representatieve kwaliteiten bezitten voor het spreken in het openbaar (preek, openingen, geestelijk adviseur, fondsen werven).  Met al die voortrekkersfuncties was het een voordeel als je er goed uitzag. Bij me thuis noemde men zo iemand dan een ‘schone’ ofwel ‘flinke heer’. In feite waren de seculiere priesters (wereldheren) het neusje van de zalm qua selectie en opleiding. Je begon in deze priesterlijke loopbaan als kapelaan.  Vervolgens pastoor met ondertussen een mogelijke zijsprong. Ze konden ook doorgroeien tot deken, (hulp)bisschop, etc. De meest invloedrijke posten leken naar de afstammelingen van welgestelde families te gaan. Priesters van rijke komaf werden om begrijpelijke redenen vaak bouwpastoor. Kapelaans van eenvoudige komaf gingen naar de kleinere dorpen als pastoor, waar ze de bevolking goed aanvoelden. In die tijd was de voornaamste carrièremogelijkheid die via kerkelijke instanties. Boerenfamilies ambieerden doorgaans dat één van de kinderen het tot pastoor zou brengen, de trots van de familie. Grote aantallen studenten gingen ook naar de kloosterordes en congregaties, waarvan er meer dan 100 in Nederland waren. De meer intellectueel begaafden werden daar tot pater, gelijk aan priester, opgeleid. Men wilde van jongens, broeder-onderwijzers maken of missiebroeders, de minder ambitieuze leerden een vak wat praktisch van pas kwam in de orde. Meisjes konden alleen zuster worden en gingen daarvoor naar vrouwelijke congregaties.  De onderwijzers in de lagere scholen voor jongens waren broeders en de lagere scholen voor meisjes werden gerund door zusters. Toen het aanbod van religieuze leerkrachten afnam in de jaren vijftig,  werden ook leken tot de opleiding van onderwijzer(es)  toegelaten. Mijn oudste zus, via contacten met een zuster-achternicht, maakte gebruik van die mogelijkheid om deze ‘kweekschool’ opleiding te volgen.
Er was dus een uitgebreid systeem van organisaties te bemannen en het aanbod daarvoor was er tot in de jaren vijftig. Zwakkere elementen in de familie, die zich niet geroepen voelden om een gezin (met veel kinderen) te stichten of daartoe niet bekwaam werden geacht, konden vaak een plekje in het klooster krijgen, in één van de vele, eventueel, minder eisende functies die beschikbaar waren. Een behoorlijk grote groep van paters en zusters ging naar de missie. In de jaren vijftig was Nederland één van de rijkste bronnen van missionarissen (paters, broeders en zusters), in totaal rond 9.000 personen, zo’n tien procent van het wereldtotaal.
De herleving van de Bisschoppelijke Hiërarchie en van het geloofsleven gaf een enorme stimulans aan de ontwikkeling van het zuiden, in die mate dat je je afvroeg hoe het ervan tevoren bijstond. Vanwege de noordelijke bezetting alleen al niet rooskleurig, maar ook daarvóór moet het een onvoorstelbaar armoedige situatie zijn geweest. Er zijn wel impulsen geweest zoals de aanleg van kanalen in het zuiden in het begin van de negentiende eeuw, die de economie stimuleerden.
Maar met de herleving van het katholicisme werd de situatie gekeerd. Werkgelegenheid werd allereerst gebracht door de bouw van kerken, kloosters en andere instellingen. Op de tweede plaats werd er werkgelegenheid geschapen door de oprichting van nieuwe organisaties, niet alleen van kloosterorden, maar ook seculier zoals de NCB, de CHV en Boerenleenbank.
Het onderwijs kreeg een enorme stimulans door de Leerplichtwet en de oprichting van scholen, waarvan de bemanning bestond uit geestelijke beroepskrachten. En sociale instellingen kwamen van de grond, zoals ziekenhuizen, bejaardeninstellingen, gestichten voor geestelijk gestoorden, wezen en nog meer. Het is niet overdreven te stellen dat in die tijd de basis werd gelegd voor de ontwikkeling van het katholieke zuiden, haar emancipatie.
Deze sociaaleconomische ontwikkeling kwam niet zonder inspanningen van de kant van de bevolking, opgelegd in feite door de nieuwe machtsstructuur. Het systeem vroeg gehoorzaamheid, discipline en inzet. Deelname aan kerkelijke diensten en liturgische activiteiten was intensief. ’s Zondags naar twee missen in de morgen en naar het lof in de namiddag.  Boeren moesten tussendoor koeien melken en vee verzorgen en alles te voet, want fietsen waren nog schaars. Ondanks de inherente dwang was het systeem humaan, ook omdat er sociale instellingen werden opgericht. Een belangrijke factor bij religie is dat het niet in eerste instantie draait om de eer en glorie van de uitvoerders, maar dat het bedoeld is ter grotere eer en glorie van een derde, God. Dat relativeert de rol van de kerkbestuurders en noopt eerder tot dienstbaarheid en bescheidenheid.

Doop en Lagere school

Van de doop herinner ik me natuurlijk weinig daar deze  normaliter plaatsvond enkele dagen na de geboorte. Ik werd onder de bescherming  gesteld van de heiligen Antonius, Henricus en Josephus. Deze benaming was grotendeels traditie, want als oudste zoon was je eerste voornaam genoemd naar de opa aan Vaders kant. Ik had bijgevolg vier neven met dezelfde voornaam.
Ik herinner me niet op welke leeftijd ik voor het eerst mee naar de mis mocht. Ik schat zo rond de vier jaar. Op hoogtijdagen waarschijnlijk al eerder. Wel herinner ik me dat we toen op speciale kinderbankjes tegenover het priesterkoor zaten. De kerstvieringen herinner ik me levendig want dat waren indrukwekkende ceremonieën. De hele kerk was gevuld met licht, pracht en praal, tegen een achtergrond van orgelmuziek en zang, de celebranten in ceremoniële gewaden en de gelovigen op hun, in dit geval, ‘Kerstbest’.

5

Ik probeerde de Kerstliedjes uit volle borst mee te zingen maar dat lukte maar gedeeltelijk, meestal alleen het eerste couplet. Ik betreurde het als het kerstseizoen teneinde liep en zag al uit naar de volgende Kerstmis om de zangdraad weer op te pakken.

Bidden was een belangrijk onderdeel van de dag. Dat begon met het ochtendgebed als je opstond. Je vaste ochtendgebed bidden vroeg ongeveer 10 minuten. Daarna was er het ontbijt, met ervoor en erna een gezamenlijk gebed, bij ons het Engel des Heren. Soms ook drie Onze Vaders en drie Weesgegroeten. Later weer ingekort tot een onze Vader en een Weesgegroet.

De Engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt,
En zij heeft ontvangen van de heilige Geest.
Wees gegroet Maria …
Zie de dienstmaagd des Heren.
Mij geschiede naar uw woord
Wees gegroet Maria …
En het Woord is vlees geworden.
En Het heeft onder ons gewoond
Wees gegroet Maria …
Bid voor ons, heilige Moeder van God,
opdat wij de beloften van Christus waardig worden.

Laat ons bidden. Heer, wij hebben door de boodschap van de Engel de menswording van Christus uw Zoon leren kennen; wij bidden U: stort uw genade in onze harten, opdat wij door zijn lijden en kruis gebracht worden tot de heerlijkheid van de verrijzenis. Door Christus, onze Heer. Amen.

’s Middags, met de warme maaltijd, golden dezelfde gebeden, evenals bij de avondmaaltijd. In de zomer was er nog een broodmaaltijd rond vier uur. Gebruik was dat ieder brood gezegend werd met het mes waarmee je de sneden afsneed, drie kruistekens werden erop getikt. ‘s Avond als het donker was, werd gezamenlijk het rozenhoedje gebeden. En als afsluiting van de dag deden we het avondgebed. Tussendoor zeiden we af en toe ‘schietgebedjes’, waarmee je aflaten kon verdienen, met sommige wel 365 dagen aflaat per stuk. ’Jezus, Maria en Jozef’ was in dat opzicht een goede investering.  Die aflaten kon je in het hiernamaals gebruiken, werd ons verteld, om na de dood eerder uit het Vagevuur  verlost te worden.  Voor dat doel hoef je momenteel geen aflaten meer te verdienen, want in 2007 is het Vagevuur door Paus Benedictus afgeschaft!
Biechten deden we gewoonlijk één keer per maand. Het was een standaard litanie die je opbiechtte van jokken, vloeken, snoepjes stelen en onaardig geweest zijn tegen anderen. Ik kreeg dan gewoonlijk ook een standaard penitentie van één oefening van berouw, drie Onze Vaders en drie Weesgegroetjes. In hogere klassen op de lagere school gingen we eens per maand gezamenlijk onder schooltijd biechten. Ik herinner me nog een voorval waar de latere bisschop Bluyssen bij betrokken was. Toen ik bij zo’n collectieve biechtactie, om tijd te sparen, alvast dicht bij de biechtstoel ging staan om mijn voorganger snel op te volgen, stapte hij uit de biechtstoel en waarschuwde de begeleidende broeder dat ik de biecht van mijn voorganger af had willen luisteren. Dat voorval liet een nare smaak na.
Een gebruik dat ik me van vroeger herinner is dat wanneer er onweer op til was Grutje, onze inwonende Grootmoeder, met wijwater en een palmtakje de hoeken van de boerderij ging zegenen om deze te beschermen tegen blikseminslag en brand. Een hemels vertrouwen. En de bliksem is nooit ingeslagen!
Ik weet niet precies meer wanneer dat begon maar in de loop van de lagere school gingen we door de week na het ontbijt naar de kapel vlak bij de Lambertuskerk om de ochtendmis bij te wonen. We gingen gezamenlijk en te voet: broers, zussen en buurkinderen. Fietsen hadden we toen nog niet. Een wandeling van een half uur ongeveer. Als het flink gesneeuwd had, baande vader of (inwonende) Tante het voetpad tot aan de Udense weg of een deel daarvan. De mis begon om kwart voor acht, duurde een half uur en daarna liepen we naar de Aloysiusschool om daar ons brood op te eten voor de school aanving om negen uur. Je moest toen nog nuchter blijven om tijdens de Mis de communie te mogen ontvangen.
Uitgezonderd in de derde klas waren alle onderwijzers gedurende mijn lagere schooljaren broeders en wel van de orde van de Onbevlekte Ontvangenis uit Maastricht. Zij woonden samen in een klooster naast de school. Ze waren toegewijd. en gaven uitstekend onderwijs. De klassen waren talrijk, zo tussen de veertig en de vijftig kinderen, in banken van twee, zes banken diep en vier rijen breed. Discipline werd soms hardhandig afgedwongen. Ik dacht dat ik altijd een brave jongen was maar in de tweede klas bij een hardhorige broeder met de bijnaam ‘Broeder Radio’ moest ik toch een aantal keren op het matje komen. Hij stak dan mijn kop tussen zijn benen, hield mijn beide handen op mijn rug met zijn linkerhand en patste met zijn rechterhand op mijn hammetjes. Brullen als een varken!
Omdat de Aloysiusschool tot de particuliere scholen behoorde, kregen we een behoorlijke dosis godsdienstonderwijs, bijna dagelijks als ik me goed herinner. Dan kregen we naast informatie over religieuze praktijken en gewoontes, prachtige verhalen te horen uit het Oude en het Nieuwe Testament.
Het enige huiswerk wat we op de lagere school kregen was de catechismus leren. Daar werd thuis nauwlettend op toe gezien. Bij ons thuis hadden dan ook alle kinderen steeds een tien op hun rapport voor dit vak. Het was ons moeder haar eer te na als we geen goed punt voor godsdienst hadden.
In de vijfde klas deed ik het blijkbaar niet onaardig. Op een vrije woensdagmiddag kwam de broeder van die klas, broeder Lydius, op zijn fiets op de boerderij aan toen we net aan het dorsen waren. Hij kwam mijn ouders overhalen mij naar de ‘theoretische’ zesde klas te laten gaan. Deze theoretische zesde was een betere voorbereiding voor verdere middelbare studie. Als oudste zoon en hulp op de boerderij kwam dat mijn vader niet goed uit. Mij ook niet want ik wilde per se boer worden. Maar tegen het advies van de geestelijke orde kon je niet in gaan en na enkele pogingen was de zaak beslist: doorleren en daarna kon ik nog altijd boer worden. Deze broeder, maar er waren er meer, gaf niet alleen onderwijs, maar deed ook aan loopbaanontwikkeling. Veel dank daarvoor!
Op zondag gingen we, als we wat ouder waren geworden, twee keer naar de kerk, eerst naar een gewone mis om kwart voor acht en daarna naar de hoogmis om 10.00 uur. Vader deed dit ook en bracht tussen deze twee missen een bezoek aan het kerkhof.
De familie had, samen met een buurman, een kerkbank gehuurd, wat meer naar achteren in de rechter zijbeuk van de kerk, precies onder de tiende statie van de kruisweg ‘Jezus valt voor de derde keer onder het kruis’. Ik kan dat schilderij nog dromen!
De Sint Lambertuskerk was indrukwekkend. Ontworpen door de bekende Pierre Cuypers werd ze gebouwd tussen 1856 en 1862. Het was het hoogste gebouw in de hele omgeving, zo’n 80 meter hoog en fraai versierd met heiligenbeelden en andere ornamenten. Het verbaast nog steeds dat een arme gemeenschap van zo’n 4.500 mensen in staat was een dergelijk bouwwerk te onderhouden. Er stond ook een kast van een pastorie bij, één van de grootste villa’s in Veghel. In mijn jonge tijd woonde er de Deken met vier of vijf kapelaans, plus de huishoudsters. De huishoudsters waren vaak al wat oudere vrijgezellen vrouwen. Er is een heel boek over de Sint Lambertus kerk, ‘een kathedraal gelijk’.
Vroeger lieten een aantal mensen, vooral mensen die geen erfgenamen in rechte lijn hadden, een erfenis na voor de Kerk. Kerken werden mede hierdoor welgesteld en richtten fondsen op waarvan de opbrengsten ook verdeeld werden onder de armen. Zo hadden wij een veld gehuurd van de Kerk, het zogenaamde ‘Armenveld’, circa 80 are groot, waarvoor we eerst 40 en later 50 gulden pacht per jaar betaalden.

De viering van Allerzielen op 2 november heeft speciale herinneringen nagelaten. We gingen dan met Moeder naar de kerk om te ‘pesjonkelen’:  een aantal rondjes van ongeveer 300 meter lopen van de kerk naar het vagevuur monument op het kerkhof.2 Onderwijl Onze Vaders en Weesgegroeten biddend om aflaten te verdienen. Het ‘vagevuur’ gaf een plastische voorstelling van boetende mensen in de vlammen. Het was onderdeel van een kunstmatig bergje van zo’n 10 meter hoog, waarop drie kruisen stonden. Deelname aan deze ceremonie was bedoeld om de doden te herdenken en om familie en vrienden eerder uit het vagevuur te krijgen. We hebben blijkbaar zo hard gebeden dat het vagevuur er door is afgeschaft kunnen worden!
Mijn drie broers na mij werden misdienaar. Dat was vaak geen sinecure als ze zomers en winters, vaak om zes uur ’s morgens, een half uur te voet naar de kerk moesten lopen, en terug, soms twee keer op een zondag. Maar je werd niet zomaar misdienaar, je moest, informeel, door een strenge selectie heen. Uiteraard kende men de religieuze kwaliteit van onze familie. Ik ben zelf nooit gevraagd voor deze taak. Misschien respecteerden ze de behoefte aan mijn hulp op de boerderij of misschien zagen ze geen misdienaarbloed in me. Het laatste is minder waarschijnlijk want mijn vrouw zegt geregeld dat ik mijn roeping van pastoor gemist heb!
Grote feestdagen voor ons kinderen waren  de Kleine Communie en het Vormsel. Voor zussen Anny en Gerry zijn nog communiekaartjes gedrukt met een mooi kerkelijk gedicht erop. Ooms en tantes kwamen dan op bezoek, er was een feestje en je kreeg cadeautjes in de vorm van een rozenkrans,  een kerkboek of iets soortgelijks.
Als goede Brabanders  hadden we familie in het klooster. Tante Engelien bijvoorbeeld bij de zusters Franciscanessen in Veghel. Eén keer per jaar gingen we bij haar op bezoek. Op het einde van het bezoek kregen we tot ons grote geluk een caleidoscoop als speelgoed cadeau. We hadden ook een ‘heeroom’, een oom van mijn Vader, die pastoor was in Oss. Hij overleed op het altaar op Goede Vrijdag. Zijn bezittingen werden later onder de familie verdeeld. Onze familie erfde onder meer een fraaie eikenhouten kast, het ‘heeroom kastje’, dat na een aantal omzwervingen en een zware renovatie nu in onze huiskamer staat. Verder was er ook nog een verre neef, broeder Ignatius, die in het krankzinnigengesticht in Handel (Boekel) als broeder-verpleger werkte. Eens per jaar werden enkele familieleden door hem uitgenodigd voor een warme maaltijd. Ik herinner me dat een onderdeel daarvan het bezoeken van ‘gekken’ achter tralies was. Zielig, het leek meer op aapjes kijken in de dierentuin.
We hadden ook achternichten die in de missie werkten, in Indonesië en in de Congo. Er was een getrouwe briefwisseling tussen Moeder en hen rond iedere jaarwisseling. Een achterneef had een belangrijke positie in een missie orde in België en hij kwam af en toe ons Grutje (Oma) opzoeken. Hij kreeg dan een gift voor het goede doel. In elke katholieke familie was wel een oom, neef of nicht te vinden die als missiepater of missiezusters ergens in de wereld zendingswerk aan het doen was.
De respectieve ‘familiekapelaans’, verbindingsman tussen familie en kerk, kwamen wel eens thuis, bijvoorbeeld bij communiefeestjes of bij een bruiloft. Toen Grutje vanwege gebreken niet meer naar de kerk kon, kwam de familiekapelaan trouw elke week, eerst te voet later met de fiets en uiteindelijk met de auto, de communie bij ons thuis brengen, in de winter een bijna heroïsche daad.
Er wordt ook nog wel eens gegekscheerd dat de pastoor vroeger thuis op bezoek kwam om voortplanting aan te moedigen. We hadden wel een deftige ‘voorste kamer’, maar ik heb nooit gehoord dat de deken of kapelaan daarvoor langs was gekomen. Nu hadden mijn ouders niet veel aanmoediging nodig, want kinderen volgden elkaar in rap tempo op en negen kinderen plus wat miskramen is een mooi resultaat, zelfs voor die tijd.
Paters en broeders van in de omgeving gevestigde ordes kwamen ook af en toe langs. Soms op sandalen zonder sokken. Ze hadden meestal een bidprentje in de aanbieding. En vaak was er de vraag of je later niet bij hun orde wilde intreden. Dat trok ons niet zo aan, maar we durfden niet rechtuit nee te zeggen.
Bedevaarten waren een belangrijk deel van het religieuze leven. We hadden twee bedevaartplaatsen in de buurt: Handel, waar Maria vereerd werd en waar we op wat verdere leeftijd op zondagen in de meimaand naar toe liepen, zo’n 15 km enkele trip. Verder was er ook Zeeland bij Uden waar we op een bepaalde zondag in het jaar wijwater haalden om in de waterton van de koeien thuis te doen om ze tegen ziekten te beschermen. Iets verder weg, in Duitsland, lag Kevelaer, ook een Maria bedevaartoord. Daar mocht ik al jong met ons Tante naar toe. Dat was een hele gebeurtenis. Je moest eerst een paspoort halen op de gemeente, met pasfoto erbij. Met de bus naar Kevelaer. Ik kan me nog herinneren dat het hele stadje in puin lag als gevolg van de oorlogsbombardementen. We namen boterhammen mee om die ’s middags op te eten bij een kop koffie. Ons Tante ging ook op bedevaart naar andere plaatsen, zoals Beauraing in België en Wittem in Limburg. Ze was in de herfst van 1953 voor de eerste keer, met de trein, naar Lourdes geweest. Toen ze terug kwam bracht ze een beeldje voor me mee met de afbeelding van Maria in de grot en met het muziekje ‘Te Lourdes op de bergen….’ Ik lag toen in het ziekenhuis om te herstellen van een hersenschudding. Dat muziekje heb ik tot groot vermaak van mezelf maar tot in den treure voor kamergenoten en verpleegsters gespeeld.
Het is geenszins de bedoeling met de religie of met een praktiserende kant ervan te spotten. Het leven was toen met zijn schraalte bloedserieus en het geloof al helemaal. Als kind werd je devoot opgevoed en  wist  je niet anders. We wilden oprecht conformeren aan de idealen en gangbare praktijken van het geloof. Wat ons in die opvoeding zeker is bijgebracht, zijn eerbied, onderdanigheid, eenvoud en geloof. Bidden voor de goede zaak zat ingebakken. Plichtsbesef en schuldgevoel vierden hoogtij. Voor het leven!
Naast de bovengenoemde ceremonies en gebruiken zijn er nog een flink aantal andere te vermelden zoals processies, het palmen van de rogge en haver met palmzondag, de novenen die gehouden werden om (dreigende) catastrofes als droogte, te veel regen, ziektes en dreigende sterfgevallen af te wenden.. De vele kaarsen die werden opgestoken voor het afsmeken van een goede afloop van talloze dingen. De gulden ‘zegengeld’ die werd gegeven als we vee verkocht hadden. De toestemming die je aan de pastoor moest vragen als je op zondag eens geen standaard werk wilde doen, bijvoorbeeld hooien. Over de driedaagse rozenkrans als in de buurt iemand overleden was. Over nieuwe kleren met Pasen (Paasbest). De voorlichting die je kreeg als je van de lagere school ging en een retraite had. De kerkgang van Moeder onmiddellijk na een nieuwe geboorte. De speciale dagen voor zieken, het ziekentriduüm. Het dopen van kinderen dat dezelfde of de dag na de geboorte moest gebeuren, de bisschop die zelf het Vormsel kwam toedienen, het toedienen van het heilig oliesel, ziekenbezoek door de pastores, priesterwijdingen. Dat alles maakte deel uit van de kerkelijke ambiance.

Middelbare School

Zoals Broeder Lydius van de vijfde klas lagere school het had gepromoot, ging ik op twaalfjarige leeftijd naar de HBS in Veghel. De zekere dingen van weleer kregen hier en daar een vraagteken en je kreeg te maken met nieuwe fenomenen als seksualiteit. In deze studieperiode kwam er al een zekere relativering van het praktiserende geloof. Terwijl we op de lagere school ook door de week ‘s morgens naar de mis gingen, kon dat om rooster-technische redenen niet meer op de HBS. De lessen begonnen al om kwart over acht.img285 1985 zomer. Veghel Zwijssen College HBS-leerkrachten waren allemaal leken, bijgevolg was de sfeer anders dan op de lagere school, waar praktisch alleen geestelijken les gaven. Op de HBS hadden we een aantal jaren godsdienstonderricht op het lesrooster staan, één uur per week of zo, want het Mgr Zwijsen College behoorde tot een private katholieke onderwijsstichting. Maar dat onderricht zette niet veel zoden aan de dijk, zowel qua inhoud als qua presentatie. De belangstelling van leerlingen was miniem, de docenten waren niet de sterksten en bijgevolg was er weinig discipline. Eén leraar had de gewoonte met zijn ronde buikje tegen een tafeltje te leunen.  Daar werd dan door leerlingen van tevoren krijt op aan gebracht en, zie daar, hij had een witte streep op zijn zwarte pij, tot hilariteit van de klasgenoten. De docent zelf had niets in de gaten!
’s Zondags gingen we uiteraard nog altijd naar de kerk, in het begin nog naar twee missen maar later maar één keer want er moest huiswerk gemaakt worden. We zaten als gevorderde jongeren niet meer in de familiebank, maar stonden vanwege plaatsgebrek de hele mis in flinke aantallen bij de deur in de buurt van de biechtstoelen. Het kerkbezoek lag in de jaren vijftig nog hoog. Dat was niet alleen te merken aan gebrek aan zitplaats in de kerk, maar ook aan het aantal fietsen buiten tegen de kerkhekken, vaak wel tien rijen dik. De auto was nog niet ingeburgerd. Ik kan niet zeggen dat die kerkbezoeken me veel inspiratie gaven. Het was een ceremoniële sleur en na honderden missen zag je niet elke keer het wonder opnieuw gebeuren.
We gingen nog wel naar enkele bedevaarten, de eerste zondag van de maand mei te voet naar Handel en de ander die ik me levendig herinner, naar Haekendover bij Tienen in België.  Dat was een bedevaartplaats sinds de Middeleeuwen, gebaseerd op de bouwlegende waarbij de Goddelijke Zaligmaker zelf als dertiende werkkracht zonder betaling mee hielp bouwen. Vader ging daar traditiegetrouw naar toe en ik mocht mee. Geen sinecure: dertien keer om twee kerken heen lopen die op een paar kilometer afstand van elkaar lagen, dus zo’n 50 km in totaal en ongetraind. De blaren lieten zich dan ook tellen. Voor we ’s avonds in het hooi op een boerderij doken, bezochten we een café. Daar maakte ik via de jukebox kennis met de liedjes van Freddy Quinn, zoals ‘die Gitarre und das Meer’. Een intense en wonderlijke ervaring.
In die puberteitsjaren kreeg je ook te maken met seksualiteit en met de omgang met het andere geslacht. Daar vonden in mijn geval weinig opzienbarende gebeurtenissen plaats. Kuisheid was zowel op godsdienstig als maatschappelijk gebied een belangrijke deugd. Daar werden opvoedkundige voorzorgen voor genomen. Op zondag bij het ‘uitgaan’ (fietsen en een friet met mayonaise)  moest je in het begin vóór donker thuis zijn.  Als je je aangetrokken voelde tot het andere geslacht dacht je nogal vlug aan onkuisheid en dat remde de initiatieven aanzienlijk. Mijn Moeder maakte het regelmatig duidelijk dat het ergste wat haar kon overkomen, was, dat een van haar kinderen ‘moest’ trouwen. De voortplantingsdrang is evenwel sterk en er kwamen allerlei vragen op. Niet doelbewust, maar in plaats van eerst te experimenteren, besloot ik mijn biechtvader om advies te vragen. Dus op een avond nodigde hij me uit voor een voorlichting. Heel interessant natuurlijk al die informatie over hoe vaak getrouwden het ‘deden’ en aanverwante zaken. Afgezien nog van de informatie had deze voorlichting nog een gunstig neveneffect. Niet lang daarna zou ik namelijk in Tilburg gaan studeren. Mijn ouders gingen bij mijn biechtvader advies in winnen of het wel vertrouwd was dat ik op 17-jarige leeftijd alleen op een kamer in Tilburg ging wonen. Ze kregen, hoorde ik later, een geruststellend antwoord.  Aan deze biechtvader denk ik nog met respect en genegenheid terug. Hij is later pastoor geworden en uiteindelijk ingetreden bij de Trappisten. Heb hem daar nog ontmoet en hebben samen een ‘Trappistje’ gedronken. Boven de tachtig was hij nog dirigent van het kloosterkoor en hij was de blijheid zelve!
Er waren vier broers op rij in ons gezin, ‘ingekapseld’ door twee eerdere meisjes en drie latere. De broer na mij ging naar het kleinseminarie van de SVD in Deurne, in pensionaat. De eerste keer mocht ik hem met Vader en Moeder met de fiets naar Deurne vergezellen. Hem werd al in het begin verteld dat er maar twee van de 120 beginnelingen het tot priester zouden brengen. Na het gymnasium daar afgemaakt te hebben, ging hij voor een bezinningsjaar naar België, alvorens naar het Grootseminarie te gaan. Maar gedurende het bezinningsjaar haakte hij af en ging vervolgens medicijnen in Nijmegen studeren. Na een aanstelling in zuidelijk Afrika en een specialisatie opleiding had hij een succesvolle loopbaan als chirurg in Mol, België.
Een andere gebeurtenis in die tijd was dat de zus net boven me, ‘uitgekozen’ was om in het huishouden van de familie Teulings in Den Bosch te gaan werken. Dhr Teulings en zijn zus waren broer en zus van Deken Teulings in Veghel. De familie was kapitaalkrachtig, mede-eigenaar van de Geïllustreerde Pers. Hoewel het om een bescheiden functie ging, bevestigde haar selectie toch het vertrouwen van de deken in de integriteit van onze familie. In dat opzicht was het een eer. In die tijd interesseerden gevestigde families  zich nog in hoge ambten in de kerk. Dat de Deken niet onbemiddeld was, bleek uit zijn persoonlijke gift van fl.100.000 voor de restauratie van ‘zijn’ Sint Lambertuskerk.  Er dient gezegd te worden dat broer en zus Teulings  mijn zus altijd met respect en royaal behandeld hebben. Ook mijn ouders werden af en toe voor een etentje gevraagd.
De Deken en de dokter stonden in hoog aanzien in die tijd. Eén of twee keer per jaar deden we een huisslachting. Het beste deel van de beesten, de karbonade, was steeds bestemd voor deze hoge heren. Eén keer werd door me thuis gevraagd, op weg naar school, zo’n karbonade bij de pastorie af te leveren. Vanwege een combinatie van verlegenheid, respect en angst voelde ik me hoogst opgelaten met de opdracht. Toen er na mijn eerste aanbellen niemand antwoordde, heb ik de karbonade maar voor de deur gelegd. Onwaarschijnlijk dat die op het bord van de deken terecht gekomen is!

Tilburg (1960-1968)

De afstand van de geloofspraktijken die gedurende de middelbare school inzette, werd groter gedurende de studie aan de Katholieke Hogeschool in Tilburg. Er waren weinig medestudenten die ter degen praktiseerden, de vroegere sociale ondersteuning en controle was er niet meer en je ging twijfelen aan de exclusieve zaligmaking van het katholieke geloof. Ik ben wel af en toe naar de zondagsmis in Tilburg gegaan, maar het sprak steeds minder aan. Er was een geestelijk adviseur voor de studenten met een eigen kerkje, maar daar maakte ik, net als de meeste anderen,  geen gebruik van. Het dispuut waar ik toe behoorde had zijn eigen geestelijk adviseur, maar die zagen we af en toe voor een gezellig praatje en een borrel. Toen hij uiteindelijk als pastoor in Deurne werd geïnstalleerd, maakten we er een vrolijke uittocht van.6
Er was een behoorlijk aantal medestudenten die, net als mijn broer, hun studie voor priester voortijdig hadden afgebroken. Het was de tijd waarin de ‘roeping’ als geestelijke minder aantrekkelijk was geworden en het aantal studenten op de seminaries sterk afnam. Als lid van ons dispuut hadden we als normaal lid een wereldgeestelijke. In feite werd hij tot priester gewijd toen hij lid van het dispuut was. Hij was opgegroeid in de relatief liberale katholieke sfeer van Nederland eind jaren vijftig, begin jaren zestig. Hij had enkele jaren gewerkt op het Pastoraal Intituut van de Nederlandse Kerkprovincie (PINK) in Rotterdam en zocht zich nu in sociologische studies te oriënteren.  Religieus vooruitstrevend, leek hij te lijden te hebben van de conservatieve omslag in de jaren zestig in de Nederlandse Katholieke Kerk.
In Tilburg zaten medestudenten die actief waren in christelijke of katholieke fora. Ik had daar zelf weinig contact mee gehad en ik was onder de indruk van deze ‘wereldse’ medestudenten. Eén zo’n forum was Pax Christi.  Ik heb daar toen, ondanks theoretische belangstelling, weinig aan gedaan, maar zo’n veertig later ben ik alsnog lid van Pax geworden.
Hoewel de Hogeschool van katholieke signatuur was, circuleerden er, in vergelijking met Veghel, ruimere seculiere ideeën. Je maakte kennis met andere religies en eerdere geloofszekerheden kwamen op losse schroeven te staan. Het was opeens niet zo duidelijk meer dat het katholicisme de enige ware en zaligmakende religie was. Als ik het daar in een weekend thuis wel eens over had, waren ze daar niet blij mee en schudde mijn Vader zijn hoofd. Eens kwam ik met Pasen naar huis en vond het niet nodig in de plechtige Paasdienst te communie te gaan. Dat was mijn Moeder opgevallen en ze liet blijken er zeer door geraakt te zijn. Ik had daar niet voldoende aan gedacht en heb er nog steeds spijt van zo onbedachtzaam te hebben gehandeld.
En of de seksuele voorlichting van de biechtkapelaan nog had geholpen? Ik was denk ik een seksuele laatbloeier en kreeg pas verkering op 22-jarige leeftijd, na mijn kandidaats. Mijn partner studeerde ook in Tilburg, bij de Nonnen op de Oude Dijk, en onze ‘kasten’ lagen niet ver van elkaar. Mijn Moeders zorgen over moeten trouwen zaten nog in mijn oren geknoopt. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan en we hebben af en toe in de knijp gezeten. Ik trok tenslotte de stoute schoenen aan en ging bij de NVSH (Ned. Vereniging voor Seksuele Hervorming) succesvol uitkomst zoeken. Tegen de kerkelijke regels in!
Kort na de studie stapte ik in het huwelijk, eerst in het burgerlijk en vier maanden later in het kerkelijk huwelijk in de Sint Martinuskerk in Weert. De dienst werd geleid door mijn priester-dispuutgenoot. Als deel van de voorbereiding op het huwelijk hadden we een ontmoeting met de Deken. We hoefden, zoals eerder gebruikelijk voor nieuwe stellen, de catechismus niet op te zeggen! Hij gaf ons wel het adres van een Belgische Witte Pater in Algerije, waar we naar op weg waren als onze eerste standplaats.

Algerije (1968 – 1971)

Van 1968 tot 1971 woonden we in Algerije. Ik was daar aangesteld als Assistent-Deskundige van de Internationale Arbeids Organisatie. Na de onafhankelijkheid in 1962 was Algerije een overwegend Islamitisch land geworden en woonden er, buiten enkele duizenden buitenlandse ontwikkelingswerkers om, weinig mensen met een christelijke achtergrond. Ik kan me niet herinneren ‘s zondags ooit naar de mis te zijn gegaan. We maakten wel contact met de door de Deken gesignaleerde Witte Pater in Taguemount-Azzouz, Kabylië, een fraaie bergstreek ten oosten van Algiers, waar een Berberbevolking woont. We zijn  een aantal keren op bezoek geweest bij de paters daar en die brachten ons in contact met de lokale bevolking met hun fleurige Berber cultuur. Met de Pater en onze Nederlandse priestervriend hebben we later samen een trip door de Sahara gemaakt met bezoek aan diverse missiestations van de Witte Paters.
Deze staties konden maar een beperkte rol spelen op geloofsgebied, omdat de onlangs zelfstandig geworden natie fanatiek moslim was. Het werk van de missie werd tot op zekere hoogte gerespecteerd, maar activiteiten en bezittingen van de Missie werden langzamerhand door de staat overgenomen. Vóór de onafhankelijkheid was Algerije deel van Frankrijk en woonden er meer dan een miljoen Fransen.7
Zonder dat we een diepgaande studie van de Islam maakten, kregen we natuurlijk in die drie jaar dat we er woonden een redelijk beeld van de praktische levenswijze van de Algerijnse bevolking, hoorden we de dagelijkse gebedsoproepen van de moskeeën en zagen we de diverse klederdrachten. In sommige regio’s droegen de vrouwen witte kleren met alleen een mondkapje, andere regio’s daarentegen zwarte, met een gezichtsbedekking waar maar één oog kon zien. De Ramadan en het  grote schapenfeest (Aïd el Fitr) was een belevenis op zich. Enkele dagen vóór de slachtceremonie werden schapen via de lift in ons appartementencomplex naar boven gebracht en in de badkamer geparkeerd in afwachting van hun martelaarschap. Tot onze hilariteit  werden de schapen aan de elektriciteits-  en lantaarnpalen achter het gebouw geslacht en opgehangen. Een apart gezicht en de buren in feestelijke stemming.
Onvergetelijk zijn ook de  witte marabout-tempeltjes, ter nagedachtenis  van lokale ‘heiligen’, talrijk vooral in het westen van het land.
Alles bij elkaar een heel andere geloofsbeleving dan die we in Nederland gewend waren, informeler en meer geïntegreerd in het dagelijks leven.

Ethiopië (1971 – 1973)

Hier waren we terug in de christelijke traditie, hoewel aanzienlijk verschillend van de Nederlandse rooms-katholieke traditie. De Ethiopische Kerk is een oriëntaals-orthodoxe kerk. Wereldwijd telde ze ongeveer 36 miljoen leden en ze is de grootste van de oriëntaals-orthodoxe kerken.
Kerkelijke gebeurtenissen zijn gebaseerd op de Juliaanse kalender, waarbij Kerst en Driekoningen twee weken later vallen dan bij de door ons gevolgde Gregoriaanse kalender. De Ethiopische-orthodoxe kerk is staatskerk sinds de vierde eeuw en heeft dus een lange traditie. Overblijfselen uit het verleden zijn te vinden in Axum in de vorm van obelisken en in Lalibela in afgelegen en in rotsen uitgehouwen kerkjes. Een gedeelte van de bevolking, vooral aan de kust (nu voor een groot deel Eritrea) is Islamitisch.8
Ethiopië in die tijd leek veel op onze Middeleeuwen, waarbij de grondbezitters, de geestelijkheid en het leger de maatschappij bestuurden. Verschrikkelijk arm en de vruchtbare gebieden waren dicht bevolkt. Religieuze praal was er volop, onder meer met processies, waarbij men grote kruisen droeg en de geestelijken in kleurrijke gewaden waren gestoken. Diverse regio’s hadden hun eigen typische kruisen.
Onze praktisering stond op een laag pitje en ik kan me niet herinneren daar een mis te hebben bijgewoond.

Zambia (1973 – 1977)

Een dun bevolkt land in zuidelijk Afrika, in de koloniale tijd (tot 1964) Noord-Rhodesië geheten, met Kenneth Kaunda als president. Een kleine 5 miljoen mensen toen op een gebied met een oppervlakte van 25 maal Nederland. De bevolking was officieel christen, daartoe eerder bekeerd door missionarissen en zendelingen. Die maakten belangrijke bijdragen op het gebied van gezondheid, onderwijs en beroepsopleidingen. 9President Kaunda praktiseerde zijn christelijke geloof en was tevens een sterke verdediger van humanistische principes.
Net als in Algerije en Ethiopië, zijn we zelden of nooit naar de kerk gegaan of hebben we aan andere religieuze activiteiten deelgenomen. Ik geloof niet dat we ons daar schuldig onder voelden. Te ver verwijderd geraakt van de religieuze praxis te midden van een weinig religieuze buitenlandse gemeenschap.
Op reis naar Nederland hebben we eens een tussenstop in Rome gemaakt en het Grafmuseum van Pausen in het Vaticaan bezocht. De zerken waren van oogverblindende schoonheid, gemaakt vaak van een combinatie van zeldzaam marmer, edele metalen en edelstenen.
In Zambia werden twee van onze kinderen geboren. Die zijn gedoopt toen we later op verlof in Nederland waren. Vlak voor ons definitieve vertrek uit Zambia heeft de oudste zoon, via een speciaal  arrangement, zijn eerste communie gedaan.

New York (1977 -1987)

Na Zambia was New York natuurlijk een openbaring, in meerdere opzichten. Niet zozeer op het gebied van de katholieke geloofsbeleving. Maar zo’n metropool geeft legio andere indrukken die je continu aan het denken zetten.

10
We hebben er als familie niet uitvoerig gepraktiseerd. Op zondagen hebben we zelden de mis bijgewoond. De oudste zoon heeft er wel zijn grote communie gedaan, met gebruikelijke voorbereiding en familiefeestje. Van de presiderend bisschop kreeg hij er de naam John bij, omdat tot dan toe zijn enige voornaam ‘Ydir’ was, een naam van Algerijns-Berberse oorsprong.  Beide voornamen betekenen ongeveer hetzelfde: d.w.z. de ‘goed levende’.  De volgende zoon en dochter hebben er de kleine communie gedaan met voorbereiding daarop in de lokale parochiekerk. Die voorbereiding kwam me redelijk saai over. De jongste van de vier is er gedoopt en werd begeleid door een toegewijde Amerikaanse peetmoeder. We hadden verder geen contact met de geestelijken van de parochie. Dat waren voornamelijk Filipijnen en het parochielidmaatschap was voor een belangrijk deel van dezelfde nationaliteit. Niets verkeerd mee, maar het was  geen maatschappelijke groep, waar we veel affiniteit mee hadden.
De werkomgeving bij de Verenigde Naties presenteerde een rijk palet aan geestelijke invloeden.

11

Er waren stafleden uit alle delen van de wereld, met hun eigen geloof en cultuur. De V.N. is een seculiere organisatie, maar op sommige hoogtijdagen waren er gezamenlijke religieuze vieringen buiten de organisatie om, christenen, Joden, Moslims, Boeddhisten, atheïsten, yoga-aanhangers, etc. We hebben, op uitnodiging van vrienden, een viering van ‘Ethical Culture’ bijgewoond, een soort humanistische groep, met voornamelijk Joods lidmaatschap
De Secretaris van de Sociaaleconomische Raad van de V.N. was een zekere Robert Muller. Hij gaf een geestelijke dimensie aan het bestaan en functioneren van de organisatie. Hij promootte een globale spiritualiteit, gebaseerd op de beginselen van de Verenigde Naties en van het humanisme. Via zijn websites, boeken en lezingen heeft hij een schat aan wijsheden en adviezen gegeven over moraliteit op internationaal vlak. De cohesie van het menselijk ras zou, volgens hem, gediend worden door een gemeenschappelijke visie, een doelstelling of een ideaal. Speciaal relevant is in dit opzicht zijn boek “New Genesis. Shaping Global Spirituality’. Hij stelt daarin, onder andere:” De meest urgente behoefte vandaag aan de dag is om de magische krachten, vertrouwen en geloof in de opgang en vervolmaking van de mensheid te herstellen”. En:” Wij moeten in ontzag staan voor de schoonheid en het wonder van de schepping. Mogelijk is dit de nieuwe spirituele ideologie, die het menselijke ras samen gaat binden. We moeten onze geest en ons hart weer verheffen naar de onmetelijke gelukzaligheid en mysterie van het heelal” en “We moeten onze voeten in de aarde en onze harten in de hemel hebben”. Verder: ”We moeten optimisme in ere herstellen en onze aangeboren instincten blijven scherpen voor het leven, voor het positieve, voor zelfbehoud, voor overleving en voor menselijke vervolmaking op steeds hogere niveaus van bewustzijn”.
Een andere seculiere stroming waar ik in New York van in de ban raakte is het positivisme van Norman Vincent Peale.  Dit positivisme speelde in de Verenigde Staten in de naoorlogse jaren een belangrijke rol. Het boek van Peale ‘The Power of Positive Thinking’ is in tientallen miljoenen exemplaren verspreid. Hij stelt dat door geestelijke energie in je denken in te brengen, je boven problemen kunt uitstijgen die je normaal zouden verslaan. Het geheim is om je geest te vullen met gedachten van overtuiging, vertrouwen en geborgenheid. Dat zal alle gedachten van twijfel en gebrek aan vertrouwen uitdrijven. Zijn positivisme stelt het volgende: “Er is een diepe tendens in de menselijke natuur om datgene te worden wat wij onszelf verbeelden of voorstellen. De positieve denker stuurt continu positieve gedachten rond, samen met sterke mentale beelden van hoop, optimisme en creativiteit. Hij beïnvloedt de wereld om hem heen op een positieve manier en heeft de sterke neiging positieve resultaten naar zich toe te trekken”.
Verder was er ook het werk van Kahlil Gibran wat me diep inspireerde, met name zijn gedichten in ‘De Profeet’.
Tegen al deze voor mij nieuwe ideeën kwam het praktiserende katholicisme als weinig inspirerend over. Niettemin bleven de grote vragen van schepping, geloof en hiernamaals aandacht vragen vanuit het standpunt van mijn traditionele opvoeding.
Al gaf de organisatie me geen link met katholieke praxis, wel waren er andere belangrijke connecties tussen de V.N en het Vaticaan. Uit eigen observatie en bevestigd door Robert Muller worden de Katholieke Kerk en de Verenigde Naties, vaak in hetzelfde licht beoordeeld, omdat ze beide mondiaal in omvang zijn, het menselijk leven hoogachten en zoeken naar wat uiteindelijk goed is voor de mensheid. Volgens Muller zijn ze allebei uitermate effectief op lange termijn. Ze bevorderen de ethiek en de evolutie van de mensheid. Het is via de Verenigde Naties dat het Vaticaan, als Waarnemend Lid, een belangrijke deelnemer is in de formulering van het beleid van de organisatie. Overeenkomstig de leer van de pauselijke encyclieken, liggen de posities van het Vaticaan heel dicht bij het progressieve beleid van de Verenigde Naties op de gebieden van vrede, mensenrechten en sociaaleconomische ontwikkeling, zoals solidariteit met de arme landen, armoedebestrijding en milieubescherming. Een uitzondering kan gemaakt worden voor de bevolkingsvraagstukken, waar het Vaticaan terughoudend is in geboortebeperking.
Vier verschillende Pausen hebben een bezoek gebracht aan de Verenigde Naties, de eerste was Paus Paulus VI in 1965, de laatste was de huidige Paus Franciscus in september 2015. Deze behoren tot de meest indrukwekkende bezoeken aan de organisatie met belangwekkende toespraken. Het versterkte mijn voldoening dat het hoofd van de religie waarin ik zo sterk gevormd was, zich positief uitsprak over de beginselen en functionering van een organisatie, waar ik bij werkte en heilig in geloofde.

Rome   (1987 – 1990)

Het was met positieve verwachtingen dat we naar Rome verhuisden. We waren er eerder geweest en natuurlijk hadden we er veel over gehoord, over de Paus, de Sint Pieter en aanverwante zaken, via de Kerk, via vrienden en familie die terugkwamen van toeristische tripjes en natuurlijk via de pers over politieke en algemene ontwikkelingen in Rome en Italië. Ik verwachtte van mijn aanstelling daar wijzer te worden over hoe het hoofdkantoor van de Katholieke Kerk functioneerde. We woonden zelf zo’n 25 km ten westen van Rome in ‘Infernetto’, wat ‘kleine hel’ betekende, een lokaliteit met veelal individuele huizen en weinig gemanicuurd. De naam ’Infernetto’ was te danken aan malaria die daar vroeger heerste, maar door Mussolini was verdreven door het droogleggen van de moerassen.
Rome, de stad met de meeste monumenten in de wereld, is prachtig, vooral natuurlijk het oude centrum met de Sint Pieter, het Colosseum,  Maria Maggiore, Piazza Navone en andere bekende kerken en bouwwerken. Er schijnen zo’n 500 kerken en kerkjes in Rome te zijn.

12
De schoonheid van Rome is schier overweldigend en je kunt dagen aanéén, zo niet je hele leven, in ontzag de vele kunstzinnige creaties blijven  bewonderen. Geen wonder dat Rome jaarlijks door meer dan tien miljoen toeristen wordt aangedaan. De culturele schatten gaan terug tot de Romeinse tijd; het volgende hoogtepunt in haar kunstzinnige geschiedenis is de vermaarde Renaissance, alles ondertussen gepaard gaand met uitbreiding van de kerkelijke bezittingen.
Het Vaticaan was niet alleen een religieus centrum, maar ook de hoofdstad van een land, de Vaticaanse Gebieden, die tot 1870 zelfstandig waren. Het ging dus niet alleen om geestelijke maar ook om wereldlijke macht en rijkdom. De Pausen kwamen vaak van machtige Italiaanse families en een groot aantal bekommerde zich vooral om macht en bezittingen. Het Vaticaan had zijn inwoners een belasting opgelegd, die gebruikt werd om ambitieuze projecten te financieren. Deze Sint Pieterspenning werd  blijkbaar meedogenloos geïnd. De geschiedenis van de pausen laat zien dat er zowel machtswellustelingen als heiligen onder de pausen waren. Rijke families wedijverden met elkaar via grootte en schoonheid van hun private kerkjes. In de pauselijke oriëntatie is sindsdien wel verandering  gekomen. De huidige Pausen zijn geestelijke wereldleiders. Invloed wordt nog steeds wel gekoesterd om mee te spelen op het wereldmachtsterrein.

Bij aankomst in Rome waren we lid geworden van de Amerikaanse rooms-katholieke kerkgemeenschap. Vanwege renovatie van de thuiskerk, had deze tijdelijk intrek  genomen in de Santa Agnese op de Piazza Navona, één van de fraaiste pleinen in Rome. Het plein zelf heeft drie grote gebeeldhouwde fonteinen van de befaamde beeldhouwer Bernini, waarvan de meest indrukwekkende, de ‘zeven wereldrivieren’ vlak voor de ingang van de kerk lag.

13

De Santa Agnese zelf had drie dimensies van schoonheid, zijn algehele architectuur, de interne verhoudingen en de kunstvoorwerpen, zoals heiligenbeelden. Als daar in de zondagsmis nog de koor- en instrumentale muziek bijkwam, had je een sublieme cultureel-religieuze beleving. De twee middelste kinderen zaten in het muzikale ensemble van de Santa Agnese. Ze deden er ook allebei hun Grote Communie.
Na de mis gingen we gewoonlijk een wandeling maken in het oude centrum. Eerst naar het café dat de reputatie had de lekkerste koffie ter wereld te brouwen. En de Italianen zijn uitvinders van een aantal gerenommeerde  koffiesmaken, zoals cappuccino, espresso, macchiato, lungo en vele andere. Daarna nog een stukje verder wandelen en dan naar de ‘lekkerste ijsco-shop in de wereld’. Op dat terrein hebben de Italianen ook hun sporen verdiend. Na al die spirituele, culturele en gastronome traktaties naar huis om gewoonlijk een andere Italiaanse vinding te appreciëren, de spaghetti carbonara.
Een voorval wat ik nog wil vermelden in de Santa Agnese was gedurende een plechtige Paasviering waar we als gezin aan deelnamen. De dienst werd geleid door tientallen priesters, want die zijn er natuurlijk volop in Rome met al de hoofdkantoren van religieuze ordes. Mijn professor in ontwikkelingshulp op de Katholieke Hogeschool, een Jezuïet, was na zijn pensionering in Tilburg benoemd tot professor op de Università Gregoriana, de universiteit van het Vaticaan. We ontmoetten elkaar daar een aantal keren. Hij nam ook deel aan de bewuste Paasviering. Na de voetwassing  kwam de biecht. De priesters werden uitgenodigd zich over het priesterkoor te verspreiden en biecht te horen. Gelovigen konden hun biecht belijden bij een biechtvader naar keuze. Ik had al een tijdje niet meer gebiecht en voelde me er ook niet zo tot geroepen. Maar ik zag dat mijn biechtvader-professor, geen ‘biechtelingen’ kreeg. Dat vond ik toch wel zielig en na wat aarzeling besloot ik naar hem toe te gaan. Ik wilde hem evenwel niet laten weten hoe ‘slecht’ ik ondertussen was geworden. Ik gaf hem dus een wat verzwaarde versie van mijn lagere school biecht. Hij snapte dat denk ik wel want hij antwoordde met dezelfde sanctie die ik vroeger ook kreeg: drie onzevaders en drie weesgegroetjes!
Een eerdere vriend die we in Rome ook tegenkwamen was de Belgische Witte Pater uit Taguemount Azzouz. We hebben met hem en andere bevriende Belgen enkele wandeltochten in de bergen en op het platteland gemaakt. Hij was nog steeds de opgeruimde en vrolijke medemens uit Kabylië, de blijheid van Christus zelf.
We maakten regelmatig dagtripjes in het weekend, naar de bergen in het binnenland, naar de kust, naar historische plekjes, oude dorpjes, volop keuze. We bezochten daarbij ook bekende kerken en heiligdommen, zoals Subiaco, de geboorteplaats van de heilige Benedictus en Assisi, de plaats van de heilige Franciscus en de heilige Clara, en Padua, de plek van de heilige Antonius, mijn beschermheilige.
Terwijl de fraaie kerken en heiligdommen in Rome goed werden onderhouden, waren de kerkjes in veel dorpen sterk vervallen. De kans dat voldoende fondsen beschikbaar zouden komen voor renovatie en onderhoud, leek klein en waarschijnlijk waren ze voorbestemd voor een roemloos einde.
Met mijn ouders bezochten we Assisi, een gedenkwaardige trip. Met hen bezochten we natuurlijk ook de Sint Pieter. Ik had graag een ontmoeting voor hen met de paus geregeld, maar daar stonden we, realiseerde ik me, te laag voor op de officiële geloofsladder. Tot mijn opluchting had de Paus regelmatig een ontvangst van pelgrims, de algemene audiëntie en omdat die gelegenheid er ook was tijdens het bezoek van mijn ouders, maakten we daar gretig gebruik van. Tot mijn ontgoocheling evenwel, want de ontvangstruimte was zo groot dat je Zijne Heiligheid amper kon zien zitten!
Dat Rome de hoofdplaats van het katholicisme is, is alom te zien, in de vele kerken en gebouwen, de toeristen, de souvenirstalletjes, de vele religieuzen uit de hele wereld die het Vaticaan of het hoofdkantoor van hun ordes komen bezoeken. De relatie tussen het Vaticaan en de bisdommen in andere landen is niet wezenlijk verschillend van wat ik ervaren had met New York als het hoofdkantoor van de Verenigde Naties.  Alleen heeft de katholieke kerk een onmetelijk grotere infrastructuur en eeuwenoude tradities en instellingen. Vroeger was de kerk één van de machtigste, zo niet de machtigste instantie, die kruistochten en oorlogen kon arrangeren en keizerrijken laten tuimelen. Die macht is er niet meer, zeker niet direct, die is grotendeels overgegaan naar bedrijven, banken en regeringen. Oorspronkelijk  werd hier het christendom de staatsgodsdienst van het Romeinse rijk gemaakt. Vervolgens, rond de achtste eeuw, krijgen we de theorie van de twee zwaarden, waarbij de seculiere machten, adel, grootgrondbezitters en ondernemingen, op gelijke voet willen staan met het kerkelijk gezag. De hele Middeleeuwen door blijft de kerk een pre-eminente rol spelen in wereldlijke aangelegenheden. Er waren ijzersterke banden tussen wereldlijke en geestelijke machtsuitoefening, denk aan Karel V.
In de Verlichting begint er een belangrijke verschuiving van de macht ten nadele van de kerk. En in de Franse revolutie wordt de Kerk de macht in  Frankrijk ongeveer uit handen genomen: de scheiding van Kerk en Staat. De Vaticaanse gebieden worden in 1870 door Italië ingelijfd. Momenteel is de Kerk primair geestelijk, hoewel indirect nog bij de politiek betrokken. En ze delft bij conflicten daarbij steeds vaker het onderspit, bijvoorbeeld bij abortus en het homohuwelijk. Het christendom heeft de westerse maatschappij opgebouwd, zij het met tegenslagen als gevolg van interne strubbelingen zoals het Concilie van Nicea, de reformatie, Hendrik VIII en het Anglicanisme. Nationale regeringen hebben via hun wetgeving belangrijke christelijke principes en programma’s van solidariteit, rechtvaardigheid en inkomensverdeling zoals onderwijs en gezondheidszorg overgenomen. De Kerk blijft een belangrijke rol spelen op het internationale vlak, waar rechtvaardigheid en een evenwichtige inkomensverdeling nog ver te zoeken zijn. Paus Franciscus personifieert de Sociale Leer op een alom gewaardeerde manier. Als de kerkdiensten die (christelijke) filosofie adequaat zouden behandelen, zou praktisering vermoedelijk in populariteit toenemen.

Tanzania (1990 – 1994)
Terug in Afrika praktiseerden we even weinig  als voorheen in het continent. De Tanzaniaanse bevolking hangt voor het merendeel het christendom aan, maar langs de kust en rond de hoofdroute naar het binnenland zijn er ook flink wat Moslims, erfenis van de slavenhandel met het Midden-Oosten. Ik ben op zondag een paar keer naar de kerk vlakbij ons huis geweest. Die zat bij de hoogmis vol. De sfeer was niet zo uitbundig zoals dat je dat bij de meeste Afrikaanse diensten gewoonlijk vindt en het gebeuren sprak me niet echt aan.

14De jongste zoon deed wel zijn communie, samen met een zoontje van Belgische vrienden. Dat was netjes voorbereid en feestelijk gevierd en daarna hield het weer op.
Vanwege het werk kwamen we af en toe wel in contact met missionaire ontwikkelingsactiviteiten, maar in het algemeen werkten internationale organisaties via eigen kanalen en met andere methoden dan de missie. Ik ben wel eens op bezoek geweest op een belangrijke missiepost bij Mwanza ten westen van Lake Tanganyika, waar we gastvrij onthaald werden. Ik had dan steeds de neiging samenwerking aan te knopen, maar éénmaal terug op kantoor in Dar es Salaam werd je weer opgeslokt door een grote hoeveelheid werk en slaagde je er niet in de goede voornemens uit te voeren.

Gabon (1994 –2000)
Een olieproducerend land in Centraal Afrika tussen Kameroen en Congo-Brazzaville, geheel bedekt met tropische regenwouden. Een oppervlakte van 4 à 5 maal Nederland met een bevolking van ruim een miljoen, waarvan officieel de meeste behoorden tot de protestantse en katholieke kerkgemeenschappen. Maar met handhaving  van belangrijke animistische gebruiken. De President zelf, Omar Bongo, had zich eerder tot de Islam bekeerd, volgens de verhalen die rondgingen om de grote spoorweg van de kust naar het binnenland door Arabische landen gefinancierd te krijgen. 15
Ik was daar vertegenwoordiger van de Verenigde Naties en je kwam uit hoofde van die functie in contact met allerlei instanties en lagen van de bevolking. We hadden een coördinerende taak in ontwikkelingshulp en konden donoren en begunstigden, inclusief NGO’s, bij elkaar brengen. Ik kreeg een klein project goedgekeurd door de Nederlandse regering ten behoeve van een katholieke NGO. Met de Witte Pater die daar over ging had ik goede contacten opgebouwd. Hij kwam uit het buurland Kameroen zoals een behoorlijk deel van de geestelijkheid daar uit het buitenland kwam. De Gabonezen hadden weinig roeping tot het priesterschap, volgens kenners omdat de verplichting van het celibaat niet strookte met hun vruchtbaarheidsprincipes. De Witte Pater waar ik het over had, was ook niet wars van voortplanting, want ik leerde later dat hij vijf kinderen had.
Priester zijn, zelfs in het voor Afrika relatief weelderige Gabon, was geen vetpot. Bij de offerande in de zondagsmis werd voedsel voor de pastoor aangeboden om hem te helpen rond te komen. We zijn een paar keer naar de mis geweest op zondag en de kerk was dan stampvol, staanplaats buiten. Het waren feestelijke ceremoniën in fleurige kledij, met wel drie verschillende koren. Vooraan in de kerk stonden de mensen te wiegen op de maat van de muziek. Een enthousiasmerende vertoning. Ik zei altijd maar dat vanwege beperkte welvaart en gebrek aan alternatieven de bevolking op zondag in Libreville drie dingen kon doen om de tijd goed door te brengen: naar de mis, naar een cursus of naar het strand gaan.
Met de latere aartsbisschop in Libreville heb ik regelmatig contact gehad, vooral om kleine projectsteun te coördineren.
Er waren her en der tekenen van bloei van vroegere missionaire activiteiten. In het vlak bij de hoofdstad gelegen Donguila stond een vervallen katholiek kerkje, dat in de koloniale tijd een juweeltje moet zijn geweest. Toen kwamen de missionarissen voornamelijk uit Frankrijk en vaak uit gegoede gezinnen, die belangrijke financiële bijdragen konden leveren aan de goede werken van hun kinderen. Op het aangrenzende kerkhofje lagen missionarissen, de meeste ervan op jonge leeftijd overleden aan tropische ziekten. Na de onafhankelijkheid begreep ik dat er onenigheid kwam tussen de Franse en de inheemse missionarissen met als gevolg dat de fondsen opdroogden en Donguila instortte.
Als je in het binnenland de grote Ogoué rivier afvoer, kwam je ook verlaten dorpjes met vervallen kerkgebouwtjes tegen. Maar daar waren het niet alleen de missionarissen die vertrokken waren, maar ook de lokale bevolking. Deze laatste was veroorzaakt door de trek van het oerwoud naar de grotere steden en stadjes als gevolg van onderwijs en werkgelegenheid die plotsklaps geschapen werd door de olie-inkomsten. Er woonden nog maar zo’n 300.000 mensen in het oerwoud met een oppervlak van 4 à 5 maal Nederland
In deze oerwoud omgeving, in Lambarene vestigde zich in het begin van de twintigste eeuw Albert Schweitzer, een indrukwekkende persoonlijkheid die veel goed werk heeft gedaan voor de bevolking. Er is een museum van hem, wat we diverse keren bezocht hebben. De belangstelling voor deze held-zendeling was tanende, ook omdat hem verweten werd dat hij een koloniale houding ten aanzien van de bevolking ten toon had gespreid.
Het protestantisme is in deze gebieden steeds actief geweest op terreinen van onderwijs, gezondheid en beroepsopleidingen. We hebben eens een bezoek mogen brengen aan een regionaal centrum tijden een bestuurlijke bijeenkomst. De zendingsarbeid werd serieus aangepakt, met buitenlandse steun, ook uit Nederland.

Den Haag (2000 – 2008)

In 2000 kwam onze reguliere loopbaan bij de V.N. teneinde en keerden we naar Nederland terug. We vestigden ons in Den Haag vanwege Franse onderwijsfaciliteiten voor de jongste zoon.
Ik had van tevoren al half het voornemen gemaakt om bij pensionering terug in Nederland de vroegere traditie van het zondagse misbezoek weer op te nemen. Door familieomstandigheden en als enige belangstellende kwam daar niet bar veel van. De kerk, waar ik me had laten inschrijven was de Antonius Abt kerk op de Scheveningseweg. Pas later, in Weert, leerde ik beter het onderscheid kennen tussen Antonius Abt (Antonius de Grote, Antonius van Egypte, Antonius van het Varken) en Antonius van Padua. Er zit zo’n achthonderd jaar verschil tussen!
Wel bezocht ik vrij regelmatig de kerk door de week, voor ‘lichte’ meditatie. Deze kerk had prachtige gebrandschilderde ramen  van Anton Molkenboer, in het bijzonder van 12 deugden Ze waren uitgebeeld in bloemsymbolen. Er waren twee niveaus uitbeeldingen: op de grotere ramen bovenaan en op de kleinere daaronder.  Alles tezamen een pracht compositie.16
Mijn opvoeding had me al vertrouwd gemaakt met het fenomeen deugden. Je was er vaak aan herinnerd dat je eerlijk, hardwerkend en verstandig moest zijn en dat je de goddelijke deugden van geloof, hoop en liefde diende te beoefenen. Mogelijk zijn er nog andere omstandigheden die me in het verschijnsel deugd deden interesseren. Ik ging er meer over lezen en langzamerhand werd het een studiehobby. Die ben ik tot op de dag van vandaag blijven  beoefenen, waarover later meer.
Ik verdiepte ook mijn belangstelling in de overeenkomsten tussen de Verenigde Naties en het Vaticaan. Daarbij had de Sociale Leer van de Kerk mijn speciale aandacht.  De Pauselijke Raad voor Rechtvaardigheid en Vrede  heeft die Leer opgesteld op basis van pauselijke encyclieken. Er bleek ook een Nederlandse Afdeling van deze Raad te bestaan, waar ik lid van werd. Maar in plaats van dat deze afdeling de Sociale Leer promootte, was het hoofdprogramma de bescherming van bedreigde mensenrechtenverdedigers uit dictatoriaal geregeerde landen.
Ondertussen werden kleinkinderen geboren in Amsterdam en in Heteren bij Nijmegen. Onze kleinkinderen zijn niet meer gedoopt, want geen van onze vier kinderen praktiseert. Ze zijn geen uitzondering; er komen haast geen jongeren meer in de kerk. In de zondagsmis zie je voornamelijk grijze, witte of kale koppen!
Bij herdenkingsdagen van Vader en andere overleden familieleden bezochten we de ouderlijke omgeving in Brabant waar Moeder en zes van de acht broers en zussen wonen. We gingen dan mee naar de relatief jonge buurtkerk, waar de pastoor er een inspirerende, gezongen mis van maakte.

Weert  (2008 –     )

Om logistieke en sociale redenen verhuisden we na acht jaar Den Haag naar Weert, de geboorteplaats van mijn vrouw. Ik had die stad ondertussen aardig leren kennen gedurende verloven uit het buitenland en we hadden er een appartement gehad van 1990 tot 2001 als een pied à terre.
Ik had me vóór vertrek uit Den Haag al voorgenomen ’s 17zondags regelmatig naar de Hoogmis in de Sint Martinuskerk te gaan. Daar kwam om dezelfde redenen als in Den Haag ook weer niet veel van terecht. De keren dat ik ging, gaf dat ook minder voldoening dan ik verwachtte. Ik had al wel in Den Haag begrepen dat de Deken van conservatieve snit was. Bij hem was het praktisering oude stijl, heel verschillend van een eerdere Deken die een energieke, vernieuwende aanpak had en bijvoorbeeld zijn kerststal de grootste van West-Europa maakte.

Onderwijl bleef ik met mijn deugdhobby doorgaan. Langzamerhand kwam een aardige hoeveelheid materiaal bij elkaar. Dat goot ik in eerste instantie in de vorm van een essay met de titel ‘Verbeter de Wereld, …Begin bij Jezelf’. Dat is een bekende spreuk van de Bond zonder Naam. De maandelijkse Bond zonder Naamspreuken waren in mijn jeugd steeds prominent opgehangen in onze keuken. Later ben ik naar de feestelijke viering van het 75-jarig bestaan van deze Bond gegaan (ook allemaal grijze koppen) in Utrecht en probeerde daar te zien of we konden samenwerken op het gebied van deugdpromotie, de oorspronkelijke doelstelling van de Bond. Daar kwam eigenlijk geen reactie op. De Bond was zich gaan richten op kleinschalige armoedeprojecten in Nederland, op zich een nuttig doel, maar een dwaling naar mijn mening.
In tweede instantie volgde ik het advies van SeniorWeb op om het beschikbare deugdmateriaal op een website te zetten. Dat zou toegankelijkheid en reikwijdte verbeteren. Zo geadviseerd, zo gedaan en na wat grasduinen en adviezen werd ‘deugd.net’ gelanceerd. Iets eerder was al een Twitter-account opgezet onder de naam ‘Deugwel’  met het vredessymbool van een smid die een zwaard omsmeed in een ploegschaar (gift van de USSR aan de Verenigde Naties). Periodiek worden ‘stichtende’ boodschappen verspreid via deze sociale media, waarbij de blogs op de website automatisch met Twitter en Facebook gekoppeld zijn.
Ik woon in de ‘Heiligenbuurt’, een wijk uitgebouwd in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw en waarvan de straten een heiligen- of bisschopsnaam dragen. Het moet in die tijd een eer geweest zijn om de straten in je buurt naar heiligen genoemd te hebben. Heiligen waren in vroeger tijden de Grote Voorbeelden, je kreeg bij je geboorte voornamen van heiligen om op die manier hun bescherming te krijgen. In vroeger tijden vierde je de naamdag van je heilige in plaats van je verjaardag. Met het oog op deugd-ethische vorming is het wenselijk voorbeelden, idolen te hebben. De heiligen spreken niet meer aan als levensinspiratoren. Er is evenwel een boek met de titel ‘Het Geluk is met de Heiligen’ van Robert Ellsberg, wat aangeeft dat er ook nu een aantal dingen van de heiligen te leren zijn. In de context van de heropleving van het georganiseerde buurtleven probeer ik de verdiensten en het voorbeeld van de heiligen te actualiseren.

Ik kreeg een uitnodiging om een lezing te geven op een bijeenkomst van het Dekenaal Weerter Missie Thuisfront en daarna een aanbod om lid van het bestuur te worden. Dat interesseerde me vanwege mijn jeugdervaringen met missionarissen en vanwege mijn positieve ervaringen met het werk van missionarissen in Afrika. Weert alleen al had in de missionaire hoogtijdagen steeds een zestigtal paters, broeders en zusters in de missie. Die aantallen zijn sindsdien sterk geslonken; de laatste jaren zijn er nog een vijftal actief in de missie zelf, twee in Rome en een dertigtal met pensioen in Nederland.  De actieven zijn meestal boven de zeventig. Hun prestaties zijn indrukwekkend; ze zijn niet zozeer actief in de liturgie (geweest), maar op de gebieden van gezondheid, onderwijs en opleidingen. Een of tweemaal per jaar hield het Thuisfront een presentatiemiddag of –avond waar op dat moment aanwezige missionarissen over hun werk spraken of anderen dat voor hen deden. Daar kwam vooral de, eveneens vergrijsde, achterban van familie en vrienden naar toe. Het Thuisfront gaf een Jaarboek uit, waarbij de opbrengsten van daarin opgenomen advertenties een positief saldo over de drukkosten voor de missie overlieten. Ik heb een paar jaar de advertentieacquisitie gedaan en hoewel ‘schooien’ geen lollige bezigheid is, ontmoette ik veel goodwill en kreeg ik zelden nee op het rekwest. Ik nam dat over van een eveneens bejaarde voorganger, die grote indruk op me maakte. Hij had kort daarvoor een pauselijke onderscheiding ontvangen. Helemaal terecht voor zover ik dat kon beoordelen. Die had, naast zijn baan, ongeveer zijn hele leven aan de kerk gewijd, als voorlezer op zaterdagen of zondagen, als regelmatige collectant, als inzamelaar van giften voor bloemen in de kerk, deelnemer aan het Maria Legioen en advertentiewerving voor het Missie Thuisfront. Zo toegewijd, zo eerlijk en rechtschapen, zo bescheiden, waarlijk een edel mens.
Omdat het praktisch niet langer mogelijk bleek op wereldniveau te blijven opereren, koos het Weerter Missiethuisfont voor een nieuwe strategie en wel concentratie op Malawi waar vanwege een bestaande Weerter missionaris met infrastructuur waarborgen voor voortzetting van bestaande en zelfs uitbreiding met nieuwe projecten mogelijk is.
Het ‘tobben’ met existentiële kwesties hield niet op. Er kwam wel wat meer helderheid. De genomen afstand van systematisch praktiseren werd acceptabeler. Hoewel de praxis van de katholieke kerk zijn belangrijke plaats in de samenleving had gehad, ja zelfs die samenleving deels gevormd had, is hij voor een belangrijk deel uit de tijd geraakt. De Sociale Leer van de Kerk is nog wel hoogst relevant, mogelijk de beste Leer die er is, maar er is geen goed verband daarvan met de kerkelijke praxis. Een misviering is oorspronkelijk bedoeld als een gezamenlijke beleving van diepe waarden, maar een misviering tegenwoordig is bijna kil, met zo goed als geen contact onderling, behalve een aarzelend handje na de Consecratie.  Hoe kan een mis waarin geen contact is met priester of medegelovigen en waarin de preek weinig- of nietszeggend is, een springlevende jeugd boeien. Een groot deel van de  jeugd is echt wel begaan met sociale problemen en zet zich metterdaad in, maar niet meer in de vorm van een traditionele, weinig inspirerende kerkdienst. Dat ik toch af en toe de kerk bezoek heeft met opvoeding en herinnering te maken, met waarden en gewoontes die er in mijn opvoeding ingebakken werden. Uit dankbaarheid en respect een kaarsje opsteken voor degenen die er tientallen voor jou opgestoken hebben en jij dat nu op jouw beurt doet. Ik bezoek de kerk ook voor de gewijde sfeer, die een rustige meditatie toelaat. En ik prevel nog regelmatig spreuken en gebeden die er in mijn jonge jaren ingeslepen zijn en die me vrede geven, maar waarvan de inhoud vaak tegen de logica ingaat. Ik probeer ook te bevatten hoe het mogelijk is dat in de straatarme negentiende eeuw, men in staat was zulke fraaie en kostbare gebouwen op te trekken. Daar moet een onmetelijk geloof en onbegrensde opoffering achter gezeten hebben. Met een dergelijke inzet nu zou de wereld  een aards paradijs kunnen zijn. De kunst is om dat enthousiasme aan te kweken op basis van de Sociale Leer van de kerk, geldig voor alle volken, rijk of arm, zwart, wit of geel. Ik denk dat het kan. We horen over het nieuws bijna alleen maar over moord en doodslag, voor een groot deel om onze menselijke sensatiezucht te bevredigen. Maar er zijn  onnoemelijk veel positieve ontwikkelingen. De trend in de geschiedenis is naar grotere rechtvaardigheid, meer ontwikkeling, diepere vrede en … welzijn/geluk.  Als iemand daar een handje bij zou kunnen helpen zijn wij het, bevoorrechte Westerlingen. We hoeven maar het door Karen Armstrong gepromote gemeenschappelijke element van alle religies, mededogen of compassie, onze lijfspreuk te maken en uit te voeren. Iedereen een barmhartige Samaritaan!
Wat me nog van het hart moet zijn de leegstaande of reeds omgebouwde kerken en kloosters, waarvan er vele in het zuidelijke landschap staan. Bijna niet te bevatten dat deze gebouwen en hun bevolkingen floreerden en nu fraai maar eenzaam en bijna ongebruikt staan. getuigenis 21Wat een onmetelijke veranderingen, in de maatschappij en in de mensen. En de laatste zijn er niet slechter op geworden. ‘Tot Hier Heeft de Heer Ons Geholpen’, luidt de titel van het boek hierover van Herman Vuijsje.

                           2. HORIZONTALE BENADERING

de enige ware kerk?

Vanaf het begin van ons leven werd ons ingeprent dat het rooms-katholicisme de enige ware godsdienst was. En dat degenen die een andere religie aanhingen, op een dwaalspoor zaten. Zelfs andere christenen, zoals Protestanten, zaten in de verkeerde hoek. Een huwelijk van een protestant met een katholiek was onderworpen aan een regiment procedures en voorschriften.  En dat er getwijfeld werd aan het succes van zo’n verhouding, werd uitgedrukt door het spreekwoord: ’Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen”.
Het is vanzelfsprekend dat je gedurende je prille opvoeding niet twijfelt aan wat ouders en andere gezaghebbers vertellen over wat je geloof voorschrijft. Gehoorzaamheid was een courante deugd. Je accepteert het niet alleen volkomen, je doet ook nog eens je best om dat enthousiast op te volgen. In de totaal-religieuze situatie van mijn jeugd was religie vaak het onderwerp van gesprek en werden buren en vrienden langs de meetlat van de religievoorschriften gehouden. Er werd bijvoorbeeld met afkeuring gesproken over mensen die ’s zondags niet meer naar de kerk gingen, of nog erger, hun Pasen niet hielden. De meest ingrijpende indrukken van je persoonlijke vorming lagen op het terrein van het geloof en bepaalden je mentale houding en gedrag. Er werd vaak gedreigd met hel en verdoemenis om je op het rechte pad te houden. Zo is het met de jeugd de wereld over. In een religieus totaalsysteem ontwikkelt zich dan geen verdraagzaamheid, maar eerder een zich afzetten tegen andere religies. En als die andere religies nog geïdentificeerd worden met misbruik en onderdrukking, dan kun je fanatieke geloven en sekten krijgen, zoals men die nu in het Midden Oosten en elders aantreft.
Ik weet niet wanneer ik voor het eerst ben gaan twijfelen aan de enige ware kerk,  waarschijnlijk in de middelbare schoolperiode, alhoewel toen zwakjes nog. Die twijfels werden aanzienlijk versterkt gedurende de studies in Tilburg. De Hogeschool was een katholieke instelling, maar er circuleerden ruimere ideeën. Je ging ook twijfelen aan bepaalde religieuze praktijken omdat ze je niet meer aanspraken. Je leerde aarzelend zelfstandiger te denken en je concludeerde voorzichtig dat God er niet zoveel was als je dacht en dat andere ‘Goden’ misschien ook bestaansrecht hadden. Die twijfels moesten dan kampen met religieuze opvattingen en dogma’s, die vanaf je jeugd in je systeem gebakken zaten. Je wist het antwoord gewoon niet. En telkens als de vraag naar het ware terugkwam, piekerde je er weer even over en legde je die vraag onverrichterzake weer even opzij tot het volgende ‘vragenuurtje’. En bij gelegenheid bleef je ,hoewel sporadisch, conformeren aan traditionele kerkdiensten.
En zo ging de verwijdering van de ene ware kerk verder. In Algerije kregen we drie jaar lang de dagelijkse Islamitische godsdienstbeleving te zien, evenals haar hoogtijdagen. De mensen waren daar even rechtschapen en goed als de katholieken in Brabant. In Algerije, Ethiopië en Zambia praktiseerden we bijna niet, omdat weinig collega’s dat deden, er geen sociale aanmoediging of controle was en je weinig aansluiting had met lokale kerkgangers.

18
Tien jaar New York is weer een andere ‘cup of tea’. Je vind daar een veelheid aan religies en spirituele opvattingen, westers, oosters en neutraal. Het praktiseren-percentage in de V.S. ligt hoog in vergelijking met West Europa. Voor een deel wordt dat verklaard door de geschiedenis van  Amerika waar immigranten vaak om godsdienstige redenen naar het nieuwe continent kwamen en hun geloof vast hielden. Een andere reden is dat de kerken in Amerika de gelovigen nog vaak sterk aan zich binden door sociale voorzieningen, zoals onderwijs.
Wij hebben als gezin maar in beperkte mate gepraktiseerd. De kinderen hebben wel allemaal hun communie gedaan.
Als aanwijzing dat mijn grote existentiële vragen nog niet opgelost waren, kan ik wijzen op de aanschaf van het boek van ‘Does God Exist? van Hans Küng. Ik moet toegeven dat ik het nooit helemaal uitgelezen heb. Wat me meer aansprak in die dagen was het positivisme van Norman Peale, de mondiale spiritualiteit van Robert Mueller en de gedichten van Kahlil Gibran.
Ik ontdekte in New York wel een andere kant van het katholicisme en dat was het Vaticaan lidmaatschap van de Verenigde Naties en de invloed die zij uitoefende op het V.N.-beleid. Het was verheugend te constateren dat op het sociaaleconomische vlak de V.N. en het Vaticaan dezelfde prioriteiten hadden. Niet op het terrein van de reproductie, omdat deze organisaties dat verschijnsel  in een ander licht zien. Niettemin werd er, mede dankzij Nederland, een succesvolle V.N. bevolkingsconferentie in Cairo in 1995 gehouden met een unaniem goedgekeurd Actieplan.
Het driejarig verblijf in Rome heeft mij vruchtbare informatie verschaft over de organisatie en het functioneren van de Katholieke Kerk, maar het bracht me niet dichter bij de oplossing van mijn geloofsmysteries.
De tien jaar Afrika daarna brachten me weinig geloofsverrijking, maar deden wel mijn waardering stijgen voor het ontwikkelingswerk wat door de missionarissen en zendelingen is en wordt verricht.
Terug met pensioen in Nederland was er de gelegenheid al deze ervaringen te overdenken en te proberen tot een conclusie te komen.
Het plan om het zondagse misbezoek in Den Haag en later in Weert weer op te pakken, slaagde maar zeer ten dele en gaf ook niet de voldoening die er van verwacht was. De mis werd nog op dezelfde weinig inspirerende wijze opgedragen, de preken waren gebaseerd op het kleinste gemene veelvoud van de toehoorders en hadden maar zelden een aansprekende boodschap. Er was zo goed als geen contact tussen de gelovigen en het misgebeuren kwam in zijn geheel, sorry, als steriel over. Geen wonder dan ook, dacht ik, dat er alleen maar senioren deelnamen, zoals ikzelf.
Nu las ik wel een ander boek van Hans Küng ‘Wat ik Geloof’ en het hielp me in mijn gedachten. Er zat nog steeds een schuldgevoel bij me dat ik het bestaan van een persoonlijke God niet had kunnen beredeneren en accepteren. Hij dacht daar, tot mijn geruststelling, redelijk ruim over.
Iemand die ook invloed uitoefende op mijn denken was Karen Armstrong, een voormalige Engelse kloosterzuster en een gerenommeerde godsdienstfilosofe met boeken als ‘De Geschiedenis van God’ en ‘De Transformatie’. Zij beschouwt dat het gemeenschappelijke element in alle wereldgodsdiensten mededogen (compassie) is. blog 14 2In samenwerking met andere godsdiensten heef zij een ‘Compassiehandvest’ opgesteld wat wereldwijd gepromoot wordt en goede weerklank vindt. Ik ben charter-lid van deze beweging geworden.
Het katholicisme en het christendom behoren tot de toonaangevende wereldreligies. Ik ben daarin opgevoed vanwege de eenvoudige reden dat dat de godsdienst van mijn ouders en van mijn omgeving was.  Rationeel gesproken is het christendom een prima godsdienst, op gelijke voet met andere wereldgodsdiensten. De goddelijke deugden zijn een speciaal attribuut, vooral de deugd van de liefde, maar de andere godsdiensten zijn ook goed. Het is maar waar je geboren bent. En de leden van andere godsdiensten zijn in principe even goed als katholieken en niet-gelovigen, evenals de humanisten.
Het komt er in het leven vaak op aan vanuit welke hoek je tegen iets of iemand aan kijkt. Door zichzelf, door zijn omgeving, door politieke leiders, door de media wordt de mens van alles wijs gemaakt, vaak dingen die tegen het gezonde verstand in gaan. En je kunt de gemiddelde mens op korte termijn bijna alles wijs maken, als je het maar knap genoeg brengt en het vaak genoeg zegt. Er is vaak een tekort aan kritisch denken. Om begrijpelijke redenen, je vertrouwt je informatiebronnen en je kunt niet alles zelf onderzoeken. Tot haar eer legt de Katholieke Kerk nadruk op het zoeken naar de Waarheid, in Liefde. Indrukwekkend, de encyclieken van Paus Benedictus XVI ‘Deus Caritas Est’ (God is Liefde, 2005) en ‘Caritas in Veritate’ (Liefde in Waarheid, 2009).
De katholieke kerk zelf is ook minder dogmatisch geworden over zijn vermeende status als enige ware kerk. Er zijn toenaderingspogingen met andere christelijke godsdiensten en er zijn samenwerkingsverbanden met ander wereldreligies. De samenkomst van de wereldreligies in Assisi in 1986 op uitnodiging van Paus Joannes Paulus is er een voorbeeld van. Deze ontmoetingen vinden nog steeds jaarlijks plaats en worden nu georganiseerd door de Sint Egidius Gemeenschap. Er zijn nog andere samenwerkingsverbanden tussen de wereldreligies, zoals de World Conference on Religion and Peace (WCRP).
Het is niet alleen dat de Katholieke Kerk niet de enige ware kerk is. Ernstiger nog is de twijfel aan het bestaan van een persoonlijke God, om het even of die van het christendom of van een andere wereldgodsdienst is. Is God misschien persoonlijk gemaakt om het concept God voor de eenvoudige gelovige begrijpelijker te maken? Nogmaals wetenschappelijk bewijs is er niet. Maar geloof in een persoonlijke God is niet plausibel meer voor me. Als God oneindig machtig en goed is, dan kan het niet dat hij zoveel ellende toelaat op deze wereld.
Maar is er Iets? Ligt het er misschien maar aan hoe je het definieert. Zelfs het Vaticaan spreekt niet steeds over een persoonlijke God. Die zegt ook dat God Liefde is of dat God Vergeving is. Daar kan ik goed mee leven! Maar dan ben ik ver verwijderd van de toepasselijkheid van bestaande liturgische praktijken. Soms vergelijk ik de mens met een mier. Dat beestje snapt niets van de grote wereld met zijn technologie. En wij ook niet als we over het onmetelijke universum, de microkosmos en God hebben!
De Sociale Leer van de Kerk is indrukwekkend . Paus Franciscus verkondigt hem met verve en moed. Er zijn geen politici die zo eerlijk en open over sociale rechtvaardigheid, ongelijke inkomensverdeling en opheffing van armoede durven spreken. Zijn boodschap verdient enthousiast ontvangen en verkondigd te worden!
De Sociale Leer lijkt veel gemeen te hebben met de originele boodschap van het christendom. Maar die boodschap is verborgen geraakt onder een systeem van uitgekristalliseerde en grotendeels uitgeleefde praktijken. Als de Kerk in staat zou zijn de heilsboodschap van de Sociale Leer in moderne liturgie te vertalen, dan zou dat meer aanspreken. De Kerk kan een matigende of een stimulerende invloed uitoefenen op de mondiale sociaaleconomische structuren. Als puntje bij paaltje komt, zijn de krachten van macht en rijkdom in de geschiedenis steeds sterker gebleken dan die van rechtvaardigheid, compassie en liefde. De bezittende klassen met hun instituties en multinationals lijken vooralsnog te invloedrijk. Zouden de Paus en het katholicisme het aandurven de sociale boodschap nog krachtiger te brengen!? Per slot van rekening heeft de Paus meer dan een miljard volgelingen.

Voortplanting en seksualiteit

In het westen heeft tot voor kort seksualiteit voornamelijk bestaan uit de zorg voor voortplanting. Dat kon ook moeilijk anders want geboorteregeling is eigenlijk pas na de Tweede Wereldoorlog in zwang geraakt. Er waren voordien, afgezien van onthouding en heimelijke vruchtafdrijvingen, weinig methoden om zwangerschap te voorkomen. De periodieke onthouding werd ontwikkeld in de jaren dertig van de vorige eeuw, maar deze methode kreeg meer bekendheid na de Tweede Wereldoorlog. Verder was er als anticonceptiemiddel nog de methode van coïtus interruptus, in de volksmond beter bekend als ‘voor het zingen de kerk uit’. Geboorteregeling op grote schaal ontstond met de popularisering van het condoom, het spiraaltje en de pil, ruwweg vanaf de jaren vijftig. Seksualiteit en voortplanting waren tot dan onherroepelijk aan elkaar gekoppeld. Steeds was er de zorg dat ‘de daad’ ernstige consequenties kon hebben, zeker als dat tot zwangerschap buiten het huwelijk leidde. Er bestonden dus strenge regels in de omgang tussen de geslachten en geslachtsverkeer vóór en buiten het huwelijk was in katholieke kringen volkomen uit den boze.
Ik ken de theologische rechtvaardigingen niet, maar de kerk lijkt seksualiteit als een taboe behandeld te hebben. Seksualiteit werd bijna als iets zondigs gezien. In de kloostergemeenschappen legde men naast de geloften van armoede en gehoorzaamheid, ook die van kuisheid af. Het is mogelijk dat de zwaarte van het bestaan strenge eisen stelde aan de regulering van het sociale, inclusief seksuele leven. Je vindt dit ook terug in de andere godsdiensten, zoals de conservatieve Islam waar nog strengere regels gelden in de omgang tussen de geslachten. Ook in de jaren vóór en na de Tweede Wereldoorlog waren er nog scherp omschreven regels en gewoonten. Bijvoorbeeld in de kledij. Geestelijken, ook mannelijke, droegen lange rokken, zusters hadden een kap op, die in voorkomen en intentie niet ver afwijkt van een niqabs. Meisjes/vrouwen droegen in de kerk een hoofddeksel en zaten in het linker gedeelte van de kerk en jongens/mannen zaten rechts. Echtparen zaten wel bij elkaar. Badpakken waren voor de enkeling en de bikini’s kwamen later.
Seksualiteit was omgeven door een aura van zonde en schuld. Overspel en onanie waren uit den boze, het eerste een doodzonde en het tweede een ‘dagelijkse’ zonde, die gebiecht moesten worden.
Het is de vraag in hoeverre je toen seksualiteit met zijn potentieel ernstige consequenties, vrolijk en vreugdevol kon benaderen. Niet ver misschien, maar misschien toch iets verder dan het geval is geweest. De voortplantingsdrang is een sterk natuurgegeven en het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Met alle regeltjes en voorzorgen is er flink wat schuldgevoel ingepompt en is er beperkte spontaneïteit geweest in het  beleven van de seksualiteit. Maar mogelijk geldt dit meer voor de oudere generaties. Met de ontkoppeling van seksualiteit en voortplanting in de jaren zestig is er een hele nieuwe situatie ontstaan. Het ernstige risico van seksueel verkeer, zwangerschap, werd opgeheven en geeft de mogelijkheid van een spontanere en onbezorgdere omgang met het andere geslacht. In die mate dat seksualiteit vaak een bron van puur amusement is geworden.
Er is nogal wat te doen geweest over seksueel misbruik in de Kerk. De intensiteit ervan en de timing hebben me verbaasd. Ineens leek het of de Katholieke Kerk en haar ‘bemanning’ niet meer deugden en nooit gedeugd hadden. Met seksueel misbruik  heb ik niet alleen nooit rechtstreeks te maken gehad, maar ik heb er ook zo goed als nooit over gehoord, behalve dan de laatste jaren via de media over gebeurtenissen in Amerika, Ierland, België en, laatstelijk, Nederland. Ik heb een aantal vrienden en kennissen die op internaten hebben gezeten, gepolst of zij kennis hadden van seksueel misbruik, maar er was er slechts één bij en die had er ook geen directe ervaring mee, er wel over gehoord. Dat er dingen door de kerk in de doofpot zijn gestopt is alleszins waarschijnlijk.

19

Dat probeert iedere organisatie zo veel mogelijk te doen met negatieve gebeurtenissen. Maar dat je er buiten recente media in je hele leven amper over gehoord hebt, vraagt toch om opheldering. Het degelijke onderzoek van de Deetman Commissie bestrijkt de periode 1945 – 2010, meer dan 50 jaar. In die periode telde de Kerk tussen de vier à vijf miljoen leden, bijna 40 % van de bevolking. In 1967 waren er 13.500 priesters, waarvan 4.000 seculieren en 9.400 regulieren in 34 ordes en congregaties. Verder 40.000 broeders en zusters in 111 ordes en congregaties. In 1960 waren er 321 katholieke internaten. De Commissie schat dat er tussen 1945 en 1981 tussen de tien- en twintigduizend minderjarigen in katholieke instellingen zijn misbruikt, misbruik dat varieert van zeer licht tot zeer ernstig.
Op basis van wetenschappelijk onderzoek schat de Commissie de kans op seksueel misbruik voor minderjarigen in een instelling op 22 %, ruim twee keer zo groot als het landelijk gemiddelde van 9.7 % (in Nederland worden jaarlijks ruim 100.000 kinderen mishandeld, geestelijk, fysiek en/of seksueel). Instellingen hebben een hoger risico vanwege concentratie van jongeren en minder toezicht door ouders. De misbruikfrequentie in katholieke instellingen was niet verschillend van die in niet-katholieke instellingen, inclusief de residentiële jeugdzorg van het Rijk. Achthonderd daders werden geïdentificeerd, waarvan er ten tijde van het onderzoek nog 105 in leven waren.
De Katholieke Nederlandse Kerk is voor dit misbruik diep door het stof gegaan. De excuses en de vergoedingen aan de slachtoffers zijn geheel op hun plaats. De nood en de pijn die individuen en hun omgeving  geleden hebben, moet enorm zijn en ik sympathiseer daar ten volste mee.
Het celibaat, kenmerk voor de Katholieke Kerk, is bij deze discussie prominent aan de orde geweest. Dat celibaat is pas ingevoerd door de Synode van Pavia in 1022. Vanaf de vierde eeuw tot aan de elfde eeuw waren de regels omtrent het celibaat soepeler en waren veel geestelijken getrouwd. Het Rapport Deetman kan geen wetenschappelijke ondersteuning vinden voor de bewering dat het celibaat de oorzaak van het misbruik is of zelfs daar aan bij zou hebben gedragen. Persoonlijk denk ik dat in het algemeen het celibaat in het verleden positieve resultaten heeft opgeleverd in de zin dat de geestelijkheid zich volledig kon wijden aan hun spirituele en wereldlijke functies (onderwijs, sociale zorg, etc.). Die inzet zou veel moeilijker geweest zijn als hoofd van een waarschijnlijk kinderrijk gezin in een situatie van armoede. Wat ik begrijp is dat heden ten dage de traditie van het celibaat dikwijls veronachtzaamd wordt in Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse landen. Er wordt in Nederland, door zowel katholieken als niet-katholieken, op aangedrongen het celibaat af te schaffen. Het zou niet meer in deze tijd passen en het aantal roepingen zou door de afschaffing toenemen. Waarschijnlijk correct.  Wel geloof ik dat de geestelijkheid, ondanks afwezigheid van directe, persoonlijke ervaringen, zinvol over seksuele aangelegenheden kan spreken.
De feiten aan me bekend en diep betreurd, vind ik het, mede gezien mijn persoonlijke, positieve  ervaringen, op zijn plaats te proberen het gebeuren in perspectief te plaatsen.
Allereerst lijken de aantallen groot. Dat zijn ze in absolute zin ook. Maar het is over een periode van vijftig jaar geweest, in een gemeenschap van  vier à vijf miljoen mensen. Bij kinderopvang Het Hofnarretje in Amsterdam in 2010 alleen al waren dertig tot vijftig kinderen seksueel misbruikt. En hoeveel van deze gevallen zijn er? Als je er recente mediaberichten op na leest, legio. De berichten over pedofilie op internet zijn frequent en dan gaat het over uitgebreide netwerken met grote aantallen leden. Statistieken geven aan dat er elk jaar wereldwijd een miljoen kinderen in de prostitutie gaan. Kindermisbruik gebeurt blijkbaar het meeste door familie, kennissen en buren. Als het seksuele misbruik in de Kerk tegen deze feiten en achtergronden wordt geplaatst, is het verschijnsel niet minder verderfelijk, maar het komt er wel anders uit te zien: seksueel misbruik kwam veel voor in ons land in het algemeen en de katholieke instellingen waren in dit opzicht niet anders dan andere instellingen.
Wat vooral stoort is dat door het fenomeen seksueel misbruik er geen goed woord meer voor de Kerk overblijft. En dat is volkomen onterecht. Alleen al een cijfer. De Commissie Deetman heeft na intensief onderzoek 800 daders weten te identificeren. Dat is minder dan één procent van de naar mijn schatting 100.000 geestelijken die in de periode 1945 – 2010 in Nederland gediend hebben. Die één procent is hoogst betreurenswaardig en is één procent te veel. Maar dat is nog geen rechtvaardiging voor absoluut negatieve constateringen over de Kerk. Welke samenleving of organisatie heeft geen smet op zijn blazoen? Zoals ik het voel en heb proberen te beredeneren, denk ik als ‘halve afvallige’ dat de verhouding van goed en kwaad door de Kerk zo ongeveer weerspiegeld wordt in het percentage ‘boosdoeners’: 99 % positief en 1% negatief.
De strenge regels en het taboe op het seksuele gebeuren hebben er waarschijnlijk toe bijgedragen dat seksueel misbruik niet uit de hand is gelopen. Zoals we eerder aangaven, had de kerk in vroegere tijd een rol in het absorberen van zwakkere sociale elementen in haar instituties. Dat er onder die groep ook personen met seksuele afwijkingen zaten, is waarschijnlijk, daarbij de kans vergrotend op het voorkomen van ongewenst gedrag.
Dan de periode van vijftig jaar. Hoe komt het dat men zo ver terug gaat in de geschiedenis. In feite was een flink deel van de voorvallen al verjaard.  Was het niet onredelijk verjaarde gevallen te openen? Kon die uitzondering gemaakt worden vanwege de verzwakte positie van de Kerk. Waren er drijvende krachten achter de vervolging, wat ook gesuggereerd wordt door ongeveer dezelfde timing van anti-misbruikcampagnes in Noord-Amerika en Europa!?
Als we de verjaringsregels van misdaden op zij zetten, zouden we nog wat kunnen beleven als we Nederlandse activiteiten gaan openen op het gebied van slavenhandel en kolonisatie!

   3.  CONCLUSIE(S)

1.    Na ruim twee eeuwen als Generaliteitslanden bezet te zijn geweest, betekende het herstel van de Bisschoppelijke Hiërarchie in 1853 een immense verandering voor de zuidelijke Nederlanden. Te beoordelen naar de hoogst indrukwekkende opleving van het kerkelijk leven, moet er op dat moment een zeer diepgewortelde behoefte bestaan hebben aan de beleving van de katholieke godsdienst.
2.    Vanaf het herstel van de Bisschoppelijke Hiërarchie tot aan de jaren zestig van de twintigste eeuw ontwikkelde de Kerk een totaalsysteem dat de hele samenleving in zijn greep had: het Heilige Roomsche Leven. Het werd een effectief functionerend en uitgebalanceerd systeem met discipline, goede organisatie en efficiënte inzet van beschikbare hulpmiddelen.
3.    De Kerk bouwde de maatschappij van de grond af op. Dat vervulde meerdere functies. Allereerst de bevrediging van spirituele behoeften. Die waren in de 19de eeuw dringend, niet alleen vanwege de eerdere onderdrukking, maar ook omdat religie antwoord en zekerheid gaf op existentiële vragen die sterk leven in een tijd van armoede en onwetendheid.  Er was een heel scala aan faciliteiten voor de bevrediging van die religieuze behoeften, van ochtendgebeden tot bedevaarten en van de biecht tot de mis. Op de tweede plaats heeft de Kerk gezorgd voor een hoogstaande moraliteit van de bevolking. Ze was de hoedster van waarden en normen. De strenge religieuze opvoeding, de talloze voorschriften, de vele faciliteiten zoals mis, preek, biecht en retraite, evenals hechte sociale controle, zorgden ervoor dat de gelovigen op het rechte spoor bleven. Dat legde beperkingen op, misschien  een strak keurslijf, maar het resulteerde wel in een godvrezende en ‘brave’ bevolking. Daarmee ontstond ook discipline. De klokken in de kerktorens hielden de gelovigen bij de tijd. Een Brabants kwartiertje was er bij de Kerk niet bij: de missen begonnen stipt op tijd. Op de derde plaats gaf de Kerk belangrijke ondersteuning bij tragische gebeurtenissen, zoals ziekte, ongeval en overlijden. Vanwege de quasi-universele godsdienstbeoefening was er een hechte sociale gemeenschap, die steun verleende in goede en kwade tijden. Op de vierde plaats gaf de Kerk een krachtige impuls aan het sociaaleconomische leven via onderwijs, ziekenverzorging, sociale diensten en economische initiatieven. De vroegere armoedige Generaliteitslanden zijn er door op de sociaaleconomische kaart gezet. Als Noord Brabant een dynamische economische provincie is gebleken in de voorbije halve eeuw, dan is dat voor een groot deel te danken aan het werk van de Kerk. Op de vijfde plaats heeft de kerk de bevolking mee laten genieten van schoonheid en esthetica. Gedurende eeuwen werd kunst bijna uitsluitend beoefend in kerkelijk verband, of het nu om muziek, zang, schilderijen of architectuur ging. Gelovigen konden daar vrijelijk van genieten in kerken en kloosters.
4.    De afname van de geloofsbeleving, die vanaf de jaren vijftig inzette kende meerdere redenen. Praktiseren draait om misbezoek, vooral op zondag. Als dat niet meer plaats vindt, zijn er maar weinig banden die de gelovige nog bij de kerk houden. En misbezoek op zondag werd steeds meer als routinematig ervaren, vooral in vergelijking met alternatieve tijdsbestedingen. De hogere welvaart en de toegenomen beschikbaarheid van sport- en andere ontspanningsactiviteiten maakten dat steeds meer mensen, vooral jongeren, daar de voorkeur aan gaven boven het bijwonen van de mis. Met de algemene verzwakking van de sociale cohesie, onder meer door het openen van sociale verbanden en verstedelijking, nam de controle op godsdienstbeleving en daarmee het praktiseren af. In die tijd ontstond ook een generatiekloof, waarbij de jongeren een grotere mate van vrijheid kregen. Verdere studies, kennismaking met ander culturen en religies, veroorzaken twijfels over eerder aangeleerde religieuze ‘waarheden’. Steeds meer mensen begonnen na de oorlog deze ervaringen op te doen als gevolg van meer onderwijs, internationale werkgelegenheid en bezoek aan andere landen. Praktiseren buiten je traditionele omgeving wordt minder vanzelfsprekend omdat de nieuwe omgeving weinig, niet of anders praktiseert en er niet dezelfde sociale aanmoediging en controle bestaat. Dit geldt waarschijnlijk nog sterker voor overplaatsingen naar het buitenland.
5.    Zoals eerder aangestipt in de Sectie Rome is de Kerk bij lange na niet alleen theologisch georiënteerd geweest. In oorsprong leek het evenzeer een politieke als een religieuze beweging. Het lidmaatschap van de Verenigde Naties, de frequente bezoeken aan de Paus door politieke machthebbers en het  gewicht van 1.2 miljard volgelingen, geven het Vaticaan een grote directe en indirecte invloed op het wereldgebeuren. Haar politieke interventies zijn gebaseerd op heilzame principes, neergelegd in encyclieken en de Sociale Leer. Beter kun je moeilijk vinden! Het charisma van Paus Franciscus is groot en hij en zijn opvolgers dienen zich zo veel mogelijk te blijven inzetten voor een betere wereld. De centralistische oriëntatie van de katholieke Kerk stelt haar in staat groot gezag uit te oefenen. Aan de andere kant geeft dat weinig gelegenheid voor aanpassing aan lokale omstandigheden. Gewenste veranderingen in West Europa zijn daar het slachtoffer van.
6.    De katholieke Kerk zelf hamert niet meer op het feit dat zij de enige ware Kerk zou zijn. Ze zoekt toenadering tot andere christelijke Kerken en overlegt regelmatig met andere wereldreligies. Aanstaande september wordt de 30-jarige verjaardag gevierd van de bijeenkomst van alle wereldreligies in Assisi in 1986, georganiseerd door het Vaticaan. De campagne van Karen Armstrong om barmhartigheid als het gemeenschappelijke element van de wereldreligies te zien, wordt in zekere mate onderschreven door de Kerk die 2016 als het Heilig Jaar van de Barmhartigheid heeft uitgeroepen. Het is persoonlijk bemoedigend dat de Kerk niet zozeer over een persoonlijke God spreekt, maar dat God in abstractere vorm gedefinieerd kan worden als Liefde of als Vergeving.
7.    Als mogelijk negatieve kenmerken van het kerkelijke regime zou je kunnen aanmerken:
–    De alomvattende organisatie van de maatschappij met zijn strakke discipline. Het was praktisch onmogelijk niet aan het systeem te conformeren. Je zou dat systeem kunnen zien als te verstikkend, maar zo werd het tot kort na de oorlog (nog) niet ervaren. Het was dan ook positief georiënteerd en niet negatief dictatoriaal van aard.
–    Weinig of geen vernieuwing in de liturgie. Men moest wachten tot het Tweede Vaticaans Concilie om enkele liturgische praktijken versoepeld te krijgen en om de mis in de lokale taal te mogen vieren. Maar aan de kernonderwerpen van celibaat en de rol van de vrouw aan de kerk werd niet getornd.
–    Discrepantie tussen de Leer van de Kerk en haar Praxis, de liturgie. Er zijn zo te zeggen meerdere Leren, de meer Theologische en de Sociale Leer. De theologische Leer is niet makkelijk te begrijpen en spreekt een levendige, onderlegde jeugd niet direct aan. De beginselen van het Nieuwe Testament, zoals rechtvaardigheid, mededogen en liefde zijn veel makkelijker te begrijpen. De Sociale Leer van de Kerk en de encyclieken zijn juweeltjes van bewogenheid en eigenlijk zijn ze een actualisering van de oorspronkelijke boodschap van Jezus. Met die boodschap kun je nog bij velen terecht. De praxis, de liturgie is ook moeilijk te bevatten en lijkt geen verband te houden met de Sociale Leer. Dit falende contact tussen  basisprincipes en praxis draagt bij aan de vervreemding van gelovigen. De liturgie en andere praktijken zoals celibaat zijn wereldvreemd geworden.
–    Het katholicisme heeft seksualiteit steeds in de taboesfeer geplaatst. De belangrijkste functie ervan wordt gezien als voortplanting van het menselijk geslacht. De Kerk is tegen abortus en tegen de meeste geboorteregelingen. Abortus is in principe onwenselijk, geboorteregeling niet. In het westen is seksualiteit losgekoppeld geworden van vruchtbaarheid en is de omgang tussen de geslachten er meer ontspannen door geworden. De Kerk lijkt daar geen goed antwoord op te hebben en het celibaat en de secundaire rol van de vrouw is gebleven. Ook hier een kortsluiting tussen Kerk en maatschappij. De kerk is diep door het stof gegaan door het seksuele misbruik van jongeren door de geestelijkheid. Dat verschijnsel is ook zeer te betreuren. Tegelijkertijd dient het in de context te worden geplaatst van wat in de maatschappij in het algemeen en in niet-katholieke instellingen plaats vond. Dit misbruik kwam overal in dezelfde mate voor, en nog. Dit negatieve verschijnsel dient ook in de context te worden geplaatst van de vele positieve dingen die de Kerk en de geestelijkheid hebben gedaan.
8.    Opgevoed in de tijd van het Rijke Roomsche Leven heb ik grote waardering voor de goede dingen die me door het Brabantse katholicisme ten deel zijn gevallen. Mijn ervaringen zijn een afspiegeling van wat de Kerk gewrocht heeft. Wat een geluk voor mij en mijn generatiegenoten. De verwende generatie! Vanaf kort na de oorlog hebben we de wind volop mee gehad. In de vijftiger en zestiger jaren, maar ook nog daarna, ging alles steeds beter, royaler en groter: studie, werk en inkomens, sociale voorzieningen, welvaart en welzijn. De toegenomen vrijheid, de seksuele revolutie, reizen en vakanties, televisie, auto’s en telefoon. De Kerk daarentegen is er in Nederland niet op vooruit gegaan in die tijd, deels misschien vanwege al die technische en maatschappelijke vooruitgang. Integendeel, in die decennia zijn de kerken leeg gaan lopen en brokkelde het religieuze gezag af. De welvaart, goed openbaar onderwijs, ziekenverzorging en andere publieke diensten maakten kerkelijke voorzieningen op deze terreinen minder relevant. Hoe dan ook, op mijn filosofie, loopbaan en welzijn heeft het katholieke systeem een beslissende en positieve  invloed gehad. Daar ben ik, nogmaals, zeer erkentelijk voor en daarvoor is een groot pluimpje voor de Kerk op zijn plaats.
9.    Ik heb nog steeds niet uit kunnen vogelen of God bestaat. En het schijnt niet makkelijk te bewijzen. Misschien mag ik Hem of Haar of Het op een eigen manier proberen te verklaren of interpreteren. Positief. Het lijkt me dat God niet als concrete persoon of entiteit voorgesteld moet worden.
Ondanks dat godsdienstonderwijs en kerkelijke praxis, impliciet of expliciet, een bijna concrete God aanneemt, zijn de encyclieken veel ruimdenkender. De titel van de encycliek van Benedictus XVI zegt het al ‘Deo Caritas Est’, ‘God is Liefde’ en in het recente boek van Paus Franciscus wordt ‘God is Vergeving’ gesteld. Dat lijkt plausibel en dat schikt, dan voel ik me niet verplicht loyaal te zijn aan een persoonlijke God. God is Liefde en God is Vergeving, een beetje ruimer en je kunt zeggen God is Deugd. Geen beter argument voor de deugdethiek!

 

dodenherdenking9