Hebzucht en andere ondeugden

                    

Recentelijk zijn er enkele interessante studies verschenen over de bovengenoemde menselijke kwaliteit van hebzucht. Allereerst is er de dissertatie van Terri Seuntjes ‘ The Psychology of Greed’. Meer recent nog is er het boek van Jeroen Linssen ‘Hebzucht. Een filosofische geschiedenis van de inhaligheid’. Verder wordt de ‘ondeugd’ van de hebzucht ook behandeld in het eerdere boek van ‘Deadly Vices’ van Gabriele Taylor. Om te zien of er iets aan de negatieve kanten van hebzucht te doen valt, hebben we het recent uitgekomen boek ‘The Power of Character Strengths’ van Ryan Niemiec en Robert McGrath geconsulteerd. Dit gaat over de bevordering van zes deugden , onderverdeeld in 24 karaktersterktes, waarvan matigheid er één is. Jeroen Linssen geeft een breed filosofisch beeld van de ontwikkeling van hebzucht sinds de Oudheuid. Terri Seuntjes benadert het fenomeen hebzucht als een persoonlijkheidskenmerk van de kant van individuen en groepen. Gabriele Taylor bespreekt de ondeugden als groep, waaronder ook hebzucht. Tenslotte hebben de Amerikanen een suggestie hoe je de negatieve kanten van de ondeugden concreet kunt bestrijden. Deze werken zijn samen behulpzaam in de promotie voor deugdvorming. Dit in de veronderstelling dat om het gedrag van de mens te verbeteren je niet alleen de deugden moet promoten maar tegelijkertijd ook de ondeugden moet bestrijden, en dat in een integrale benadering.
Jeroen Linssen geeft in zijn boek ‘Hebzucht’ aan dat in de Oudheid en de Middeleeuwen het oordeel over ongebreidelde bezitsdrang negatief was.
In de middeleeuwen werd het denken over hebzucht gevoed door wat erover in de Bijbel stond. Met name dat het zondig was, de op één na ergste zonde zelfs, na die van hoogmoed. Je mocht wel ambachtelijk verdienen, een product maken en verkopen, maar dat negatieve oordeel kleefde wel aan de handel. Je werd verondersteld geen winst te maken en geen rente te vragen. Het laatste stond gelijk aan woeker. In de islam is rente vragen nog steeds omstreden, zo niet verboden. Om de hel te vermijden, moesten woekeraars het toegeëigende geld teruggeven en berouw tonen.
De opkomst van de geldeconomie tussen 1000 en 1300 dwong de samenleving tot gematigder opvattingen over hebzucht. Vanwege de toegenomen handel werden er toch winsten gemaakt. Maar dit werd door de kerkelijke autoriteiten niet goedgekeurd. In de twaalfde en dertiende eeuw lieten rijkaards daarom vaak in hun testament opnemen dat hun erfgenamen de opbrengsten van woekeren moesten teruggeven, of gebruiken om hun ziel te redden. De kerk opende nog een andere deur naar de redding door een nieuwe afdeling toe te voegen aan het hiernamaals. Naast het paradijs en de hemel kwam er het vagevuur, waar mensen niet eeuwig maar slechts tijdelijk waren verdoemd.
Onder invloed van het calvinisme werden ook de opvattingen over het maken van winst bijgesteld. Na de Middeleeuwen werd hebzucht door filosofen vaak gezien als een afleidingsmanoeuvre voor oorlog voeren. Door vorsten over te halen zich in de handel te begeven, dus hebzuchtig te worden, zouden ze minder tijd overhouden voor hun oorlogszucht. Ook heden ten dage worden agressieve geopolitieke impulsen van politici afgeremd door economische belangen
De echte omslag kwam toen afscheid genomen werd van het idee dat wanneer de een winst maakt de ander verliest, het zero-sum-game. De bekende econoom Adam Smith praatte op een sublieme manier de hebzucht – het eigenbelang – van de enkeling goed, omdat een onzichtbare hand het welzijn van iedereen zou bevorderen. Hebzucht werd daarmee omgevormd tot de motor van de economie.
Linssen spreekt van een langzame normalisering van de hebzucht daarna. De zware zonde van weleer is een zegenrijk instrument geworden. En er kwamen eufemismen zoals ‘welbegrepen eigenbelang’, ambitie en passie.
Het is in onze cultuur steeds moeilijker niet hebzuchtig te zijn want we worden geacht ondernemer van ons eigen leven te zijn, net zoals dat ook van instellingen wordt gevraagd. Een wereld die de nadruk legt op vooruitgang en presteren lijkt het goed te kunnen vinden met de ‘hebzucht’. De Kerk heeft in de 19de eeuw het verbod op rente afgeschaft en nog niet zo lang geleden het vagevuur. De auteur verwacht dat de politiek de dominantie van de hebzucht niet teniet kan doen. Toch zal de hebzucht gedempt dienen te worden als we de aarde niet willen overbelasten met onze verlangens naar een uitgebreid pakket van materiële zaken.

Terri Seuntjes

Terri Seuntjes definieert hebzucht als een onverzadigbaar verlangen naar meer. De definitie heeft twee delen: allereerst ontevredenheid met wat men heeft en ten tweede, als men krijgt wat men begeert, blijft het verlangen naar meer bestaan.
Als onderdeel van haar studie heeft Seuntjes een gevalideerde ‘hebzucht-schaal’ ontwikkeld om de inhaligheid van Nederlanders te meten. Gemiddeld scoort de Nederlander 2.8 op een schaal van 1 tot 5. De enquête is ingevuld door zo’n 100.000 personen in het kader van een groot salarisonderzoek.
Het onderzoek heeft de volgende bevindingen opgeleverd:

  • De verschillen tussen individuen zijn groot. Ook tussen beroepsgroepen. De meest hebzuchtigen zitten in de olie-industrie. De makelaardij staat op nummer twee, bankiers en verzekeraars op drie, de handel op vier. De minst hebzuchtigen zitten in de sectoren onderwijs, onderzoek en gezondheid.
  • Jongeren zijn over het algemeen hebzuchtiger dan ouderen.
  • Er is weinig steun voor de hypothese dat mannen hebzuchtiger zijn dan vrouwen.
  • De meeste religieuze geschriften veroordelen hebzucht. Niet-religieuzen zijn in het algemeen hebzuchtiger dan leden van een religieuze gemeenschap.
  • Mensen op de rechtervleugel van het politieke firmament zijn hebzuchtiger dan op de linkervleugel
  • Hebzucht wordt vaak gezien als een belangrijk motief in financiële zaken. Hebzuchtige personen hebben aan de ene kant een hoger maandelijks inkomen, maar aan de andere kant geven ze meer geld uit; ze hebben ook kleinere besparingen en grotere schulden.
  • Hebzuchtigen komen er makkelijker toe om te liegen in hun eigen voordeel of om zich te laten omkopen. Ze bedriegen ook makkelijker hun partner.
  • Hebzuchtigen hebben een zwakkere zelfdiscipline en zijn vaker jaloers en materialistisch.
  • Een andere hebzucht schaal (VAVS) constateerde een correlatie met andere ondeugden, evenals met Macchiavellisme, narcisme en psychopathie.
  • Terwijl de wens naar materiële bezittingen de kern van de hebzucht vormt, kan hebzucht zich ook uitstrekken naar andere behoeften zoals macht, status, eten en seks. Hebzucht is geassocieerd met jaloezie als men het gewenste bij anderen ziet en ambieert
  • Hebzucht omvat zowel de behoefte om te krijgen als om dingen vast te houden, maar verwerving is belangrijker dan retentie, zoals gierigheid en spaarzaamheid.
  • Hebzucht differentieert zich naar gelang behoefte aan verschillende zaken, bijvoorbeeld voor de vrouw kleren, voor de man partners.
  • De situatie waarin men zich bevindt kan invloed hebben op de sterkte van de hebzucht want deze kan min of meer verleidelijk zijn. Schaarste van een gewenst goed kan de gevoelde behoefte eraan doen stijgen
  • Huidige sociaaleconomische status en rijkdom of armoede spelen geen rol in de mate van hebzucht; jeugdarmoede daarentegen leidt tot een hogere score op de hebzuchtschaal.
  • Hebzucht vergroot de kans op ‘tunnel-visie’ en het zich niet bekommeren om anderen.

Hebzucht, concludeert het onderzoek, is op zichzelf niet slecht. Hebzucht kan nuttig zijn in bepaalde situaties en niet nuttig in andere. Hebzucht geassocieerd met de behoefte om iets te hebben kan initiatief en ondernemingslust stimuleren. Hebzucht kan niet alleen voordelen voor de bezitter ervan hebben maar ook voor de maatschappij in het algemeen. Het is de motor van ons economische systeem. In het communistische systeem lag dat anders, maar dat heeft de aanval van het hebzuchtige westerse model niet overleefd.
Uitzonderlijk hebberig te zijn is niet goed, maar helemaal niet hebberig te zijn is niet noodzakelijk beter. Te weinig ambitie of verlangens kan tot geringere prestaties en tot verveling leiden. De sleutel tot een gelukkig leven schijnt te bestaan uit een goede balans tussen meer willen hebben en te weten wanneer het genoeg is. Inhalerige personen hebben wensen die niet in vervulling kunnen gaan. Ze zijn gericht op productiviteit maar schijnen niet gelukkiger te zijn. Ze hebben minder zelfachting en een lagere levensvoldoening Hebzuchtigen werken harder, hebben meer inkomen en schijnen rijkdom te willen maximaliseren, maar niet noodzakelijk hun welzijn. Rijkelui genieten minder van positieve emoties, wat op zijn beurt tot minder geluk leidt. Een gevolg ook van de prioriteiten die men in het leven stelt.

Gabriele Taylor in haar boek ‘Deadly Vices’ besteedt aandacht aan het complete gamma van de ondeugden. Die zijn van christelijke oorsprong en bestaan uit de volgende zeven: luiheid, afgunst, hebzucht, hoogmoed, woede, wellust en vraatzucht.
Alle ondeugden richten zich primair op het eigen ik en haar positie in de wereld. Ze zijn allemaal destructief en verhinderen het floreren van het zelf.
Er zijn gradaties van ondeugden; ze zijn een onderdeel van het complexe fenomeen ‘karakter’ met alle consequenties van dien. Deugden reduceren en ontwrichten de visie van degenen die in de greep van de ondeugden zijn en ze zijn daarbij instrumenteel in het belemmeren van de bloei van de persoon.
Een bepaalde ondeugd kan een andere schadelijke karaktertrek veranderen, bijvoorbeeld hoogmoed kan gierigheid of lafheid voorkomen of verminderen. Linssen constateert dat de beoefening van de hebzucht de welvaart tot stand heeft gebracht en gevoelens van agressie heeft voorkomen of verminderd.
Taylor zegt dat hebzucht onbegrensd verlangen kent. Oorspronkelijk was de zonde van de hebzucht een buitengewone voorliefde voor rijkdom en de macht die daaruit voortvloeit. Hebzucht is niet beperkt tot de wereld van materiële bezittingen. Taylor en Seuntjes constateren beiden dat hebzucht diverse vormen kan aannemen zoals gierigheid en verkwisting met als gemeenschappelijk kenmerk een ‘onredelijke’ houding ten aanzien van geld of materiële bezittingen. Wellust en vraatzucht zijn een zekere vorm van hebzucht. Afgunst is een specifieke vorm van hebzucht. Onder de ondeugden is feitelijk alleen de luiheid vrij van hebzucht.
De ondeugden vertonen structurele overeenkomsten. Als men in de grip van één is, is het waarschijnlijk dat men ook geraakt wordt door andere ondeugden. De gierigaards zijn in de grip van een overweldigende behoefte aan zekerheid. Zij zijn hebzuchtig omdat ze hun schat willen behouden en vergroten. De meeste hoogmoedigen zijn hebzuchtig in de zin dat ze meer behoefte aan bewondering en vleierij hebben.
Matigheid kan gezien worden als een correctie op alle vormen van hebzucht, inclusief behoeftes aan waardering, macht, applaus of onafhankelijkheid. Matigheid, kuisheid, geduld en ijver zijn, samen met ‘moed’, de deugden die het zelf betreffen en de ’corrigerende’ groep van deugden vormen. Matigheid en alle andere deugden van het egocentrische of ‘corrigerende’ type zijn niet primair van toepassing op specifieke gedragingen maar eerder op de het algehele levensperspectief van de betrokkene. Het bezit van matigheid brengt niet alleen het bezit van de ‘corrigerende ’deugden, maar zal ook andere deugden met zich brengen.
Onze rede is de basis voor de controle van onze passies. Volgens deze zienswijze is zelfdiscipline een belangrijke deugd en is verstandelijke zorgzaamheid een beweging tegen egocentrisme.
De lijst van ondeugden is al eeuwen goud en heeft de tand des tijds goed doorstaan. Hoewel de zwaarte van de ondeugden sterk is gereduceerd is het alsnog mogelijk dat de ondeugden bepaalde personen sterk in hun greep hebben.

Karaktersterktes.

The Power of Character Strengths sluit hier op aan. De karaktersterkte die we speciaal op het oog hebben is die van zelfregulering (self-regulation) die ons beschermt tegen een ongedisciplineerd leven. Ze is één van de vier karaktersterktes onder de deugd Matiging (Temperance) van deze wetenschappelijke deugdclassificatie. De andere drie sterktes zijn: vergeving, nederigheid en voorzichtigheid.
Zelfregulering is een complexe karaktersterke. Ze heeft te maken met het onder controle houden van je begeertes en emoties en het reguleren van wat je doet. Zelfregulering helpt om een gevoel van evenwicht, orde en vooruitgang in het leven te houden. De mantra van de zelfregulerende persoon is dat je weet wanneer ‘genoeg, genoeg is’. Wanneer je op je best in zelfregulering bent, oefen je discipline en controle uit op je leefgewoontes, emoties en impulsen, terwijl je jezelf toestaat spontane pleziertjes te hebben en redelijk flexibel te blijven in je dagelijkse routine.
Een centraal element van zelfregulering is gedisciplineerd zijn, d.w.z. gepaste beslissingen maken over wat je eet, drinkt en in het algemeen consumeert, evenals je niveau van activiteit. Zelfregulering kan op diverse manieren plaatsvinden. Naast het regelen van je gewoontes, gedrag, impulsen en emoties, kun je ook je aandacht beheersen, bijvoorbeeld door mindfulness.
De vijand van zelfregulering is zoiets als ‘uitstel discount’ dat plaats vindt wanneer de betrokkene een beter lange termijn resultaat opoffert voor een meer onmiddellijk resultaat.
Zelfregulering is waardevol om meerdere redenen, zoals minder zorg en depressie, sterkere emotionele controle, betere prestaties op velerlei terreinen, betere persoonlijke aanpassing, een groter gevoel van zelfacceptatie en zelfachting in relaties en, niet het geringste voordeel, het voorkomen en beheersen van verslavingen. Zelfregulering kun je volgens het boek versterken door bezinning over een aantal vragen, zoals wat zijn je best gereguleerde levensterreinen en de redenen daarvoor, welke gebieden in je leven zouden er wel bij varen als je meer zelfcontrole uitoefende; en de reacties van anderen op je zelfregulering.
Het schijnt ook leerzaam te zijn deze karaktertrek bij anderen te identificeren en er met hen over te praten. Het boek geeft aanwijzingen hoe je stappen kunt nemen in je contacten, op het werk, in je omgeving en voor jezelf. Bij het laatste bijvoorbeeld kun je je dagelijks leven effectiever organiseren, een betere manier vinden om je werkplek in te richten of je voorbereidingen voor de dag te treffen. En vervolgens dit organisatieprincipe toepassen op steeds bredere onderwerpen.
Je kunt zelfregulering te weinig of teveel toepassen. Een chronisch ondergebruik staat centraal voor een groot aantal persoonlijke en sociale problemen waar mensen mee worstelen. Veel mensen maken te weinig gebruik van zelfregulering in één of meer van de volgende: seksuele verlangens, geld, eten, drinken, werken, lichamelijke oefening, concentratie, emoties, impulsen en lichaamshouding. Zelfregulering werkt als een spier – hij kan vermoeid worden door overmatig gebruik in minder dan zeven minuten. Het is ook en spier die versterkt kan worden door oefening.
Je kunt ook teveel reguleren. Personen die dat doen beheersen zichzelf teveel en kunnen iedere stap van hun leven controleren. Ze zijn geremd en onvoldoende flexibel. Hun overmatig gebruik van discipline kan obsessief worden en hun persoonlijke relaties danig verstoreWe komen hier nog even terug op Gabriele Taylor en haar ideeën omtrent de bestrijding van de ondeugden. In de houding tegenover zichzelf gedragen de ondeugdzamen zich op een schadelijke manier. Ze zijn in diverse vormen en gradaties morele solipsisten. Hun zelf-preoccupatie wordt aangevuld door onverschilligheid tegenover anderen
Zichzelf genezen vereist de verwijdering van de onverschilligheid ten aanzien van anderen. De ondeugdzamen hebben geen waardering voor zichzelf. Zij ontbreken zelfachting, zelfrespect en waarschijnlijk eigenliefde. Dit zijn geneeskrachtige deugden die ze nodig hebben. Maar om deze tot op een beperkt niveau eigen te zijn, dienen ze van hun solipsistische houding af te komen. Er is daarbij ook zelftranscendentie nodig. Bewustzijn en gevoelens zijn transcendent als hun focus op iets anders gericht is dan het eigen ik. Het vraagt op zijn minst een verschuiving in het gezichtspunt weg van het zelf.
Basis-sympathie, de capaciteit om de ander gewaar te worden, is noodzakelijk voor het voorkomen van moreel solipsisme. Basissympathie voor de ander is nodig voor het bezit van een zichzelf-genezende deugd. Het is liefde die een prominente kandidaat is voor de status van een genezende deugd. De rol van de liefde is hoogst relevant vanwege de doctrine dat deugden geperverteerde liefde in diverse vormen zijn. Liefde volgens de filosoof Kant heft het isolement op dat het gevolg is van geheel op het eigen gerichte gevoelens.
Zowel liefde voor een ander en ware eigenliefde zijn geneeskrachtige deugden, maar het is eigenliefde die het meest relevant is voor de ondeugdzamen. Daarbij is eigenwaarde het belangrijkste, een eigenwaarde die tenminste een graad van relatieve objectiviteit heeft. Zelfachting maakt het overbodig continu naar zelfbescherming te zoeken waartoe ondeugdzamen zijn veroordeeld. Door de behoefte aan zelfbescherming re verminderen is er een geringere behoefte aan een web van zelfbedrog waarin ondeugdzamen zijn verstrikt.

Van ondeugd naar deugd via liefde

Zoals Linssen het in ‘Hebzucht’ aangeeft heeft de ondeugd van de hebzucht zijn scherpe kanten verloren. De eerdere ondeugd is deels deugd maatschappelijk deugdzaam geworden. Ook, zegt hij, zijn andere hoofdzonden hun scherpe kantjes kwijtgeraakt. Wellust is amper nog een gangbare term en de seksualiteit is sinds de jaren zestig van de vorige eeuw tot vollere bloei gekomen. Dat was ook wel nodig, en nog, omdat de Kerk seksualiteit vooral als een voortplantingsfenomeen heeft gezien en niet als expressie van diep wederzijds verlangen. Hetzelfde geldt voor hoogmoed. Het was lange tijd de hoofdzonde omdat men geen concurrent van God kon zijn. Maar de hedendaagse cultuur vraagt dat men zich zo sterk mogelijk ontplooit. In onze maatschappij worden kinderen met veel zorg en liefde opgevoed en zijn de omgangsvormen doorgaans positief, zelfs vriendelijk. Minder kans dus voor de ondeugden die volgens Dante een vorm van gedegenereerde liefde zouden zijn.